Terug naar soorten

Rosse Franjepoot

Phalaropus fulicarius Strandlopers

0jaren
0territoria
0hoogste jaar

Nog geen gecontroleerde Meijendel-reeks beschikbaar.

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Rosse Franjepoot
Rosse Franjepoot Foto: Tim Bowman (USFWS)

Beschrijving

Alle Franjepoten zijn bijzondere steltlopers om uiteenlopende redenen. Zo hebben ze een unieke methode om hun voedsel te vinden: ze zwemmen in kleine, snelle rondjes (50 per min!) en maken zo een mini draaikolk waardoor het voedsel (insecten, wormen en kleine kreeftachtigen) a.h.w. opgezogen wordt en gevangen zit. Dat wordt vervolgens uit het midden van de 'kolk' gepikt.

Ook zijn de rollen bij de voortplanting omgedraaid. De vrouwtjes hebben het fraaiste zomerkleed en zijn groter. Zij vechten voor de gunsten van de mannetjes en doen daarbij aan polyandrie: meerdere mannetjes bevruchten haar eieren, maar de mannetjes bevruchten maar één vrouwtje. En het zijn uiteindelijk de mannetjes die de eieren uitbroeden en voor de jongen zorgen, de vrouwtjes zijn dan al hoog en breed onderweg naar de overwinteringsgebieden.

Grauwe en Rosse Franjepoten zijn tot slot vreemde eenden in de bijt van steltlopers. Ze komen namenlijk alleen aan land om te broeden.

Een Rosse Franjepoot is zo groot als een Bonte Strandloper (20-22 cm). In zomerkleed heeft zij een zwarte kop met een witte oorstreek, de lange, stevige snavel is geel met een zwarte punt. De bovenzijde (rug) is bijna zwart met een licht beigegeel schubpatroon. Kin, keel en hals alsmede de onderzijde zijn kastanjerood. In de vlucht loopt op de vleugel een witte vleugelstreep en de onderzijde is blauwgrijs. Het mannetje is wat valer en minder contrastrijk van kleur en heeft witte strepen dwars op de onderzijde. In winterkleed zijn van beide geslachten de bovendelen eenkleurig blauwgrijs. Kop, nek en onderdelen zijn dan wit en de snavel is donker met wat geel aan de basis.

Rosse Franjepoten broeden op moerassige toendra langs Hoog-Arctische kusten van Noord-Amerika. In Europa broedt deze soort op IJsland, Groenland, Spitsbergen, Nova Zembla en Bereneiland en in Siberië. In Europa broeden overigens hoogstens een paar honderd paar. Het nest ligt op de natte grond in lage vegetatie. De mannetjes -als gezegd- broeden en zorgen voor de jongen nadat ze uit het ei zijn.

Rosse Franjepoten overwinteren op zee, de Europese vogels trekken naar de zeeën voor de west- en zuidwestelijke Afrikaanse kusten.

Rosse Franjepoten die langs Nederland trekken zijn afkomstig uit het gebied van Groenland tot Spitsbergen. Bijna alle waarnemingen stammen uit de maanden september-februari, vooral de periode tussen eind september en half november. De soort is sterk kustgebonden; trekkers zijn langs de hele kustlijn schaars waarneembaar. Ze zoeken soms plasjes op het strand op maar foerageren meest op zee, zowel direct achter de branding als op luwe plekken zoals in havens (bron: Sovon ).