Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Franjepoten zijn bijzonder steltlopers om verschillende redenen. Zo hebben ze een unieke methode om hun voedsel te vinden: ze zwemmen in kleine, snelle rondjes (50 per min!) en maken zo een mini draaikolk waardoor het voedsel (insecten, wormen en kleine kreeftachtigen) a.h.w. opgezogen wordt en gevangen zit. Dat wordt vervolgens uit het midden van de 'kolk' gepikt.
Ook zijn de rollen in de voortplanting het omgekeerde van de 'standaard'. De vrouwtjes hebben het fraaiste zomerkleed en zijn groter. Zij vechten voor de gunsten van de mannetjes en doen daarbij aan polyandrie: meerdere mannetjes bevruchten haar eieren, maar de mannetjes bevruchten maar één vrouwtje. En het zijn uiteindelijk de mannetjes die de eieren uitbroeden en voor de jongen zorgen, de vrouwtjes zijn dan al hoog en breed onderweg naar de overwinteringsgebieden.
Grauwe en Rosse Franjepoten zijn tot slot vreemde eenden in de bijt van steltlopers. Ze komen namenlijk alleen aan land om te broeden.
Een Grauwe Franjepoot is zo groot als een Bonte Strandloper (17-19 cm). De Grauwe Franjepoot in broedkleed is een fraaie verschijning. De kop, nek en schouders zijn egaal leigrijs, naar beneden toe met meer en meer witte vlekjes. De kin en de keel zijn spierwit. Van achter het oog loopt een steenrode, steeds breder wordende band, eerst richting de schouders en dan naar de borst waar ze samenkomen (in een soort slabbe). Het kleed van de man is soortgelijk maar valer en minder contrastrijk. In winterkleed zijn beide geslachten grijsgetint. De bovenzijde is dan blauwgrijs, kop en borst zijn grijswit. Een zwarte oogstreep loopt wat naar achteren en is breed, niet lang. De achterkant van de kruin toont wat zwart en gaat over in een grijze streep in de nek die naar de rug loopt. De zwarte snavel is lang en spits.
Grauwe Franjepoten broeden in (sub-)Arctisch gebied van het hele Noordelijk Halfrond, in Europa in Noord-Schotland, IJsland, Noorwegen, het noorden van Finland en dan via het Kola Schiereiland naar Noord Rusland. Het nest is een spaarzaam bekleed kuiltje in de grond. Zoals gezegd, de mannetjes broeden en verzorgen de jongen.
Grauwe Franjepoten overwinteren op zee, in de Arabische Zee, ter hoogte van Jemen en Oman. De trekroutes lopen over een breed front, hoofdzakelijk over Rusland, maar soms dwalen ze af en komen dan ook door Nederland.
Zo'n 80% van de Grauwe Franjepoten in Nederland duikt op in de maanden augustus-oktober. De nadruk valt op de periode tussen half augustus en half september. Het gaat vermoedelijk om IJslandse vogels op weg naar overwinteringsgebieden in de Arabische Zee. Bij ons verschijnen eenlingen of kleine groepjes op ondiepe zoetwaterplassen in vooral de noordwestelijke helft van het land. Van de voorjaarstrek in mei is meestal weinig te merken. Een enkele maal wordt de soort in juni of juli gezien (bron: Sovon ).
Ook zijn de rollen in de voortplanting het omgekeerde van de 'standaard'. De vrouwtjes hebben het fraaiste zomerkleed en zijn groter. Zij vechten voor de gunsten van de mannetjes en doen daarbij aan polyandrie: meerdere mannetjes bevruchten haar eieren, maar de mannetjes bevruchten maar één vrouwtje. En het zijn uiteindelijk de mannetjes die de eieren uitbroeden en voor de jongen zorgen, de vrouwtjes zijn dan al hoog en breed onderweg naar de overwinteringsgebieden.
Grauwe en Rosse Franjepoten zijn tot slot vreemde eenden in de bijt van steltlopers. Ze komen namenlijk alleen aan land om te broeden.
Een Grauwe Franjepoot is zo groot als een Bonte Strandloper (17-19 cm). De Grauwe Franjepoot in broedkleed is een fraaie verschijning. De kop, nek en schouders zijn egaal leigrijs, naar beneden toe met meer en meer witte vlekjes. De kin en de keel zijn spierwit. Van achter het oog loopt een steenrode, steeds breder wordende band, eerst richting de schouders en dan naar de borst waar ze samenkomen (in een soort slabbe). Het kleed van de man is soortgelijk maar valer en minder contrastrijk. In winterkleed zijn beide geslachten grijsgetint. De bovenzijde is dan blauwgrijs, kop en borst zijn grijswit. Een zwarte oogstreep loopt wat naar achteren en is breed, niet lang. De achterkant van de kruin toont wat zwart en gaat over in een grijze streep in de nek die naar de rug loopt. De zwarte snavel is lang en spits.
Grauwe Franjepoten broeden in (sub-)Arctisch gebied van het hele Noordelijk Halfrond, in Europa in Noord-Schotland, IJsland, Noorwegen, het noorden van Finland en dan via het Kola Schiereiland naar Noord Rusland. Het nest is een spaarzaam bekleed kuiltje in de grond. Zoals gezegd, de mannetjes broeden en verzorgen de jongen.
Grauwe Franjepoten overwinteren op zee, in de Arabische Zee, ter hoogte van Jemen en Oman. De trekroutes lopen over een breed front, hoofdzakelijk over Rusland, maar soms dwalen ze af en komen dan ook door Nederland.
Zo'n 80% van de Grauwe Franjepoten in Nederland duikt op in de maanden augustus-oktober. De nadruk valt op de periode tussen half augustus en half september. Het gaat vermoedelijk om IJslandse vogels op weg naar overwinteringsgebieden in de Arabische Zee. Bij ons verschijnen eenlingen of kleine groepjes op ondiepe zoetwaterplassen in vooral de noordwestelijke helft van het land. Van de voorjaarstrek in mei is meestal weinig te merken. Een enkele maal wordt de soort in juni of juli gezien (bron: Sovon ).