Terug naar soorten

Terekruiter

Xenus cinereus Strandlopers

0jaren
0territoria
0hoogste jaar

Nog geen gecontroleerde Meijendel-reeks beschikbaar.

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Terekruiter
Terekruiter Foto: Koskikara (Finnish Wikipedia)|https://fi.wikipedia.org/wiki/

Beschrijving

De Terekruiter is een vrij klein steltloper, ongeveer het formaat van een Tureluur. In zomerkleed zijn de bovendelen grijsbruin, de borst is fijn grijsbruin gestreept en de onderzijde is wit. In winterkleed zijn de bovendelen grijs. De stuit is lichtgrijs, wat goed zichtbaar is in de vlucht, dan is ook de witte vleugelachterrand zichtbaar. De snavel is donker met een gelige basis. Opvallende kenmerken zijn de omhooggebogen lange snavel en de vrij korte, oranjegele poten.

Tijdens het lopen/fourageren hangt de borst van een Terekruiter vaak wat lager dan de rest van het lichaam, alsof de vogel voorover dreigt te vallen, en hij wipt veel met het achterlijf als een Oeverloper. De vogel rent regelmatig achter insecten aan om ze te vangen. Een Terekruiter eet voornamelijk allerlei ongewervelden, behalve insecten ook kleine krabben, in het broedseizoen aangevuld met zaden.

Terekruiters zijn trekvogels die broeden van Oost-Finland oostwaarts tot in Oost-Siberië. Ze komen daar voor in laaggelegen gebied in de taiga, op moerassige plaatsen, meestal nabij water. Ze maken een nest langs water met hoge vegetatie en wat bomen. Het nest is een ondiep kuiltje dat wordt bekleed met wat gras. Er is in de regel één broedsel.

Na het broedseizoen trekken Terekruiters over een breed front over Azië naar het zuiden om te overwinteren op natte kuststroken in tropisch Afrika (Namibië), Zuidoost-Azië en Australië. Ze stoppen onderweg regelmatig voor voedsel, meestal op modderige banken of oevers, zowel bij zoet- als zout water. De vogels uit Finland en Oost-Europa trekken dan ook wel door West-Europa. In Nederland zijn jaarlijks enkele waarnemingen vanaf eind juli tot eind augustus en op weg terug naar de broedgebieden grotendeels in mei en juni. In de periode 2000-2014 werden 45 gevallen goedgekeurd door de CDNA (Dutchbirding).