Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Kleine Strandloper is één van de kleinste strandlopers, een stuk kleiner dan een Bonte. Hij lijkt op een Drieteenstrandloper, maar die is groter en heeft geen achterteen en diens winterkleed is veel witter. In zomerkleed zijn borst en kop van de Kleine Strandloper roestoranje getint, de borst is met name op de schouders gestreept. Ook de bovendelen zijn roodachtig, de zwarte veercentra hebben lichte zomen. De wenkbrauwstreep is wit. Het winterkleed is muisgrijs met witte onderdelen. Snavel en poten zijn zwart en met name aan die poten kan het onderscheid met de andere kleinste steltloper, Temmincks Strandloper, worden gemaakt, want die heeft geelgroene poten.
Kleine Strandlopers zijn trekvogels die tijdens de trek enorme afstanden afleggen. Ze broeden op de hoogarctische toendra van Noord-Fennoscandinavië en Noord-SIberië. Ze krabbelen een kuiltje in de grond waar de eieren in komen. Kleine Strandlopers zijn tweezijdig polygaam, waardoor een legsel meerdere ouders kan hebben. Ouders kunnen ook onafhankelijk van elkaar verschillende legsels uitbroeden. De jongen zijn nestvlieders.
Na de broedtijd trekken Kleine Strandlopers ver weg zuidwaarts, naar Afrika, zuid van de Sahara tot en met Zuid-Afrika en naar zuid-Azië, met name India. Eerst vertrekken de ouders, de jongen volgen later. Tijdens de trek worden Kleine Strandlopers ook in ons land aangetroffen.
De voorjaarstrek in Nederland vindt plaats in mei, de veel omvangrijker najaarstrek voornamelijk van half augustus tot in oktober. Tijdens de piek in september kunnen op geschikte plekken in Wadden- en Deltagebied honderden Kleine Strandlopers vertoeven. Ook in het binnenland worden er dan soms tientallen gezien op ondiepe plassen. De jaarlijks getelde aantallen verschillen echter enorm. De fluctuaties hangen samen met mislukte of juist succesvolle broedseizoenen in hoognoordelijke gebieden, misschien ook met de overheersende windrichting tijdens de trek. Op de langere termijn vertonen de aantallen geen duidelijke trend (bron: Sovon ).
Kleine Strandlopers zijn trekvogels die tijdens de trek enorme afstanden afleggen. Ze broeden op de hoogarctische toendra van Noord-Fennoscandinavië en Noord-SIberië. Ze krabbelen een kuiltje in de grond waar de eieren in komen. Kleine Strandlopers zijn tweezijdig polygaam, waardoor een legsel meerdere ouders kan hebben. Ouders kunnen ook onafhankelijk van elkaar verschillende legsels uitbroeden. De jongen zijn nestvlieders.
Na de broedtijd trekken Kleine Strandlopers ver weg zuidwaarts, naar Afrika, zuid van de Sahara tot en met Zuid-Afrika en naar zuid-Azië, met name India. Eerst vertrekken de ouders, de jongen volgen later. Tijdens de trek worden Kleine Strandlopers ook in ons land aangetroffen.
De voorjaarstrek in Nederland vindt plaats in mei, de veel omvangrijker najaarstrek voornamelijk van half augustus tot in oktober. Tijdens de piek in september kunnen op geschikte plekken in Wadden- en Deltagebied honderden Kleine Strandlopers vertoeven. Ook in het binnenland worden er dan soms tientallen gezien op ondiepe plassen. De jaarlijks getelde aantallen verschillen echter enorm. De fluctuaties hangen samen met mislukte of juist succesvolle broedseizoenen in hoognoordelijke gebieden, misschien ook met de overheersende windrichting tijdens de trek. Op de langere termijn vertonen de aantallen geen duidelijke trend (bron: Sovon ).