Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De bovenzijde van de Bosruiter is grijsbruin met kleine, witte vlekken, de onderzijde is wit. Op de staart ziten smalle dwarsbandjes. De Bosruiter lijkt op een Witgat, maar die is donkerder bruin, heeft kleinere vlekken op de rug, bredere dwarsbanden op de staart en is iets groter. De poten zijn geelgroen en er is een lichte wenkbrauwstreep.
Bosruiters zoeken hun voedsel in ondiep water en modder. Het bestaat voornamelijk uit insecten en hun larven, maar ze eten (buiten de broedtijd) ook wormen, spinnen, kikkertjes en visjes.
De Bosruiter is tot en met 1936 een Nederlandse broedvogel van hoogvenen en natte heiden. Tegenwoordig broeden Bosruiters in drassige hoogvenen vooral in het noorden van Europa en Azië, van Scandinavië oostwaarts tot oostelijk Siberië en Noordoost-China. De dichtstbijzijnde broedgebieden liggen in Noordwest-Duitsland. Ze zijn vooral te vinden aan waterkanten van zoetwaterpoelen, soms ook op wadden of slikken. Buiten de broedtijd houden ze zich op in een natte omgeving, plassen, moerassen, natte heide, vennen en dergelijke.
Bosruiters broeden voornamelijk op de grond. Het nest is een kuiltje bekleed met zacht materiaal, soms maken ze gebruik van een oud vogelnest in een boom. Er is één legsel dat door beide ouders wordt uitgebroed. Ze verzorgen de jongen grotendeels samen.
Bosruiters overwinteren zuid van de Sahel en in zuidelijk Azië, vooral in India. Ze verschijnen bij ons uitsluitend tijdens de doortrek. De voorjaarstrek begint eind april en piekt in de eerste helft van mei. De najaarstrek speelt zich voornamelijk af in juli en augustus, met een nasleep tot begin oktober. Bosruiters bezoeken ondiepe zoete of brakke wateren, met enige voorkeur voor vennen en nieuw aangelegde natte natuur. Meestal gaat het om enkelingen of kleine groepjes, maar soms om tientallen vogels, incidenteel meer dan een honderdtal. Zulke concentraties treden vooral op wanneer krachtige tegenwinden de trek tijdens de voorjaarspiek tijdelijk blokkeren (bron: Sovon ).
Bosruiters zoeken hun voedsel in ondiep water en modder. Het bestaat voornamelijk uit insecten en hun larven, maar ze eten (buiten de broedtijd) ook wormen, spinnen, kikkertjes en visjes.
De Bosruiter is tot en met 1936 een Nederlandse broedvogel van hoogvenen en natte heiden. Tegenwoordig broeden Bosruiters in drassige hoogvenen vooral in het noorden van Europa en Azië, van Scandinavië oostwaarts tot oostelijk Siberië en Noordoost-China. De dichtstbijzijnde broedgebieden liggen in Noordwest-Duitsland. Ze zijn vooral te vinden aan waterkanten van zoetwaterpoelen, soms ook op wadden of slikken. Buiten de broedtijd houden ze zich op in een natte omgeving, plassen, moerassen, natte heide, vennen en dergelijke.
Bosruiters broeden voornamelijk op de grond. Het nest is een kuiltje bekleed met zacht materiaal, soms maken ze gebruik van een oud vogelnest in een boom. Er is één legsel dat door beide ouders wordt uitgebroed. Ze verzorgen de jongen grotendeels samen.
Bosruiters overwinteren zuid van de Sahel en in zuidelijk Azië, vooral in India. Ze verschijnen bij ons uitsluitend tijdens de doortrek. De voorjaarstrek begint eind april en piekt in de eerste helft van mei. De najaarstrek speelt zich voornamelijk af in juli en augustus, met een nasleep tot begin oktober. Bosruiters bezoeken ondiepe zoete of brakke wateren, met enige voorkeur voor vennen en nieuw aangelegde natte natuur. Meestal gaat het om enkelingen of kleine groepjes, maar soms om tientallen vogels, incidenteel meer dan een honderdtal. Zulke concentraties treden vooral op wanneer krachtige tegenwinden de trek tijdens de voorjaarspiek tijdelijk blokkeren (bron: Sovon ).
Vogelkenmerken
Ecologische vogelgroepen: Vogels van open heide (Wulp-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen