Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Alle Franjepoten zijn bijzondere steltlopers om uiteenlopende redenen. Zo hebben ze een unieke methode om hun voedsel te vinden: ze zwemmen in kleine, snelle rondjes (50 per min!) en maken zo een mini draaikolk waardoor het voedsel (insecten, wormen en kleine kreeftachtigen) a.h.w. opgezogen wordt en gevangen zit. Dat wordt vervolgens uit het midden van de 'kolk' gepikt.
Ook zijn de rollen in de voortplanting omgedraaid. De vrouwtjes hebben het fraaiste zomerkleed en zijn groter. Zij vechten voor de gunsten van de mannetjes en doen daarbij aan polyandrie: meerdere mannetjes bevruchten haar eieren, maar de mannetjes bevruchten maar één vrouwtje. En het zijn uiteindelijk de mannetjes die de eieren uitbroeden en voor de jongen zorgen, de vrouwtjes zijn dan al hoog en breed onderweg naar de overwinteringsgebieden.
Een Grote Franjepoot is de grootste van de drie en met 22-24 cm een slagje groter dan een Bonte Strandloper. De nek is wat langer dan bij de andere twee Franjepoten en door de korte poten lijkt het profiel disproportioneel. Deze Franjepoot is meer in ondiep water op het land te vinden dan de andere twee, die eigenlijk alleen op land komen om te broeden.
Een vrouwtje in broedkleed is eenvoudig te herkennen aan een brede zwarte band vanaf het oog langs de kastanjebruine zijhals. De kruin, nek en rug zijn lichtgrijs terwijl het onderlichaam wit is met een roodachtig waas op de voorhals. Het mannetje is doffer van kleur, met een donkere kruin en rug. De zwarte snavel van de Grote Franjepoot is langer dan bij andere Franjepoten en zeer dun. In de zomer zijn de poten zwart, maar in de winter vaak geelachtig. Een adult in winterkleed heeft zeer lichtgrijze bovendelen en witte onderdelen. Er is een lange witte wenkbrauwstreep die aftekent tegen het grijs van de halsstreep.
Deze soort broedt in het westen van Canada en de Verenigde Staten. Het leefgebied bestaat uit draslanden in de zone van de prairies tot aan de taiga. Daar broedt de vogel in moerassig grasland vaak in de buurt van meren en plassen. Het nest bevindt zich in een kuiltje op de grond en is bekleed met plantendelen. De jonge vogels worden -als eerder aangegeven- door het mannetje verzorgd.
Buiten de broedtijd verblijft de vogel langs zeekusten nabij zoutwaterpoelen, en in zoutwatermeren hoog in de Andes in Peru, Chili, West-Bolivia en Noordwest-Argentinië.
(Bovenstaande tekst deels gebaseerd op teksten in WikipediA).
Als een Grote Franjepoot in Nederland aanwaait is dat een echte zeldzaamheid. Elke waarneming moet erkend worden door de Commissie Dwaalgasten Nederlandse Avifauna (CDNA). Sinds 1966 zijn 25 gevallen goedgekeurd, de laatste was in 2014. In 2004 is een exemplaar 5 dagen aanwezig geweest in de Starrevaart, hemelsbreed zo'n 10 km oost van (boerderij) Meijendel (bron: Dutchbirding).
Ook zijn de rollen in de voortplanting omgedraaid. De vrouwtjes hebben het fraaiste zomerkleed en zijn groter. Zij vechten voor de gunsten van de mannetjes en doen daarbij aan polyandrie: meerdere mannetjes bevruchten haar eieren, maar de mannetjes bevruchten maar één vrouwtje. En het zijn uiteindelijk de mannetjes die de eieren uitbroeden en voor de jongen zorgen, de vrouwtjes zijn dan al hoog en breed onderweg naar de overwinteringsgebieden.
Een Grote Franjepoot is de grootste van de drie en met 22-24 cm een slagje groter dan een Bonte Strandloper. De nek is wat langer dan bij de andere twee Franjepoten en door de korte poten lijkt het profiel disproportioneel. Deze Franjepoot is meer in ondiep water op het land te vinden dan de andere twee, die eigenlijk alleen op land komen om te broeden.
Een vrouwtje in broedkleed is eenvoudig te herkennen aan een brede zwarte band vanaf het oog langs de kastanjebruine zijhals. De kruin, nek en rug zijn lichtgrijs terwijl het onderlichaam wit is met een roodachtig waas op de voorhals. Het mannetje is doffer van kleur, met een donkere kruin en rug. De zwarte snavel van de Grote Franjepoot is langer dan bij andere Franjepoten en zeer dun. In de zomer zijn de poten zwart, maar in de winter vaak geelachtig. Een adult in winterkleed heeft zeer lichtgrijze bovendelen en witte onderdelen. Er is een lange witte wenkbrauwstreep die aftekent tegen het grijs van de halsstreep.
Deze soort broedt in het westen van Canada en de Verenigde Staten. Het leefgebied bestaat uit draslanden in de zone van de prairies tot aan de taiga. Daar broedt de vogel in moerassig grasland vaak in de buurt van meren en plassen. Het nest bevindt zich in een kuiltje op de grond en is bekleed met plantendelen. De jonge vogels worden -als eerder aangegeven- door het mannetje verzorgd.
Buiten de broedtijd verblijft de vogel langs zeekusten nabij zoutwaterpoelen, en in zoutwatermeren hoog in de Andes in Peru, Chili, West-Bolivia en Noordwest-Argentinië.
(Bovenstaande tekst deels gebaseerd op teksten in WikipediA).
Als een Grote Franjepoot in Nederland aanwaait is dat een echte zeldzaamheid. Elke waarneming moet erkend worden door de Commissie Dwaalgasten Nederlandse Avifauna (CDNA). Sinds 1966 zijn 25 gevallen goedgekeurd, de laatste was in 2014. In 2004 is een exemplaar 5 dagen aanwezig geweest in de Starrevaart, hemelsbreed zo'n 10 km oost van (boerderij) Meijendel (bron: Dutchbirding).