Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Paarse Strandloper is een typische strandloper met relatief korte, opvallend oranjegele poten. Hun naam danken ze aan de paarse gloed die over het verenkleed ligt. De snavel is geel en naar de punt toe licht naar beneden gebogen. In de vlucht komt hij donker over; opvallend zijn dan de witte vleugelstrepen en witte staartzijden. Door het wat dikke lichaam en wat korte poten komt hij gedrongen over en beweegt zich schuifelend lijkt het. De Paarse Strandloper is gebonden aan zout water en broedt op rotsachtige Scandivische kusten.
Hij overwintert langs de Noordzeekust en de Atlantische Oceaan. Dan is deze soort ook in Nederland te zien, in winterkleed (foto). Paarse Strandlopers houden zich vooral op in stenige biotopen zoals strekdammen, havenhoofden en pieren. Ze zijn vaak in groepjes te zien en vaak samen met Steenlopers.
Overwinterende aantallen in Nederland nemen af, vooral in het Waddengebied. De oorzaak is onduidelijk en ligt wellicht in klimaatverandering, waardoor Paarse Strandlopers noordelijker overwinteren dan voorheen.
Hij overwintert langs de Noordzeekust en de Atlantische Oceaan. Dan is deze soort ook in Nederland te zien, in winterkleed (foto). Paarse Strandlopers houden zich vooral op in stenige biotopen zoals strekdammen, havenhoofden en pieren. Ze zijn vaak in groepjes te zien en vaak samen met Steenlopers.
Overwinterende aantallen in Nederland nemen af, vooral in het Waddengebied. De oorzaak is onduidelijk en ligt wellicht in klimaatverandering, waardoor Paarse Strandlopers noordelijker overwinteren dan voorheen.
Bescherming
De Paarse Strandloper is gebonden aan zout water en is in het binnenland extreem zeldzaam. Hij is waar te nemen langs de volledige kuststrook in stenige biotopen zoals havenhoofden, strekdammen en pieren. Het gaat om hooguit enkele honderden vogels, waarvan de aantallen tussen oktober en april doorgaans weinig veranderen. In juni en juli is de soort vrijwel afwezig. De landelijk getelde aantallen nemen af sinds ongeveer 1995, met de duidelijkste afname in het Waddengebied. Het is onduidelijk of dit te maken heeft met een verschuiving binnen het Europese overwinteringsgebied (bron: Sovon ).