Terug naar soorten

Bonte Strandloper

Calidris alpina Strandlopers

0jaren
0territoria
0hoogste jaar

Nog geen gecontroleerde Meijendel-reeks beschikbaar.

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Bonte Strandloper
Bonte Strandloper Foto: Jevgenijs Slihto|https://www.flickr.com/photos/101181388@N07/albums/72157646508029349

Beschrijving

De Bonte Strandloper is een kleine vogel, ongeveer zo groot als een Spreeuw. In zomerkleed is deze steltloper vrij makkelijk te herkennen aan de grote zwarte vlek op de buik en de oranje-roodbruine bovenzijde. In de winter verdwijnt deze vlek, wordt de bovenzijde fletser en is de onderzijde wit. Dan is deze vogel te verwarren met andere kleine strandlopers, zoals de Kanoet, maar de Bonte Strandloper heeft een langere snavel, die bovendien aan de punt iets naar beneden gebogen is. Die snavel is zwart, net als de poten.

Deze strandloper kent wel tien ondersoorten die grotendeels regionaal gebonden voorkomen. Hiervan komen er in Nederland zeker drie voor waarvan er één, de Zuidelijke Bonte Strandloper (Calidris alpina schinzii), een heel enkele keer in Nederland broedt.

Het broedgebied ligt in het noorden van het noordelijk halfrond, vooral in IJsland, Noord-Scandinavië en Rusland, in hoog- en laaggelegen gebieden, in vochtig grasland of in de toendra. Ze overwinteren in Zuid-Europa of West-Afrika, maar er overwinteren ook veel vogels in Nederland. Ze verlaten de broedgebieden vanaf juli, de piek van de najaarstrek door Nederland valt vooral in augustus-november. In het binnenland is hij dan schaars, maar dit is talrijkste strandloper die in de Waddenzee met wel honderdduizenden tegelijk voorkomt (geschat 340.000-510.000 in 2009-2014). Dan vliegen Bonte Strandlopers in hele grote formaties en vormen een spectaculair en indrukwekkend schouwspel. In gesloten formatie scheren ze laag over het water, veranderen synchroon van richting of zwaaien omhoog om vervolgens en-bloc weer omlaag te duiken.

Zeer incidenteel worden Bonte Strandlopers in Meijendel waargenomen. Zo is deze soort tijdens een tweetal wintertellingen door leden van de vogelwerkgroep gezien. Bovendien zijn in de periode 2000-2016 bij het vogelringstation 11 Bonte Strandlopers geringd zo blijkt uit het jaarverslag van Vogelringstation Meijendel.

Voorkomen

Broedsucces Bonte Strandloper
Vermoedelijk kwamen Bonte Strandlopers tot ongeveer 1960 min of meer regelmatig in ons land tot broeden. Sindsdien is de soort een onregelmatige broedvogel die steeds zeldzamer lijkt te worden, met de laatste nestvondst in 1986. Alarmerende vogels suggereren dat een incidenteel broedgeval nog steeds tot de mogelijkheden behoort. De meeste gevallen van na 1950 deden zich voor in het Wadden- en Deltagebied. Begin twintigste eeuw nestelde deze soort ook in het IJsselmeergebied en soms in het binnenland van Friesland (bron: Sovon ).

Vogelkenmerken

Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Strandplevier-groep). Rode Lijst: RL: Verdwenen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn

Achtergrond

Ondersoorten Bonte Strandloper
De Bonte Strandloper kent vele ondersoorten die regionaal gebonden voorkomen. De kaart uit de WIKIPEDIA toont de diverse ondersoorten, verspreiding, overwinteringsgebieden en trekroutes. Klik de kaart voor een vergroting.

Maker: Donkey shot (Christof Bobzin) [CC BY 3.0]

Bescherming

De Bonte Strandloper staat op de Rode Lijst in de categorie 'Verdwenen uit Nederland'. Deze soort broedde in de eerste helft van de 20e eeuw sporadisch langs de kust en in het binnenland. Recentelijk is er nog wel een enkel territorium vastgesteld. Nederland bevindt zich in het zuidelijkste deel van het verspreidingsgebied. De grens van die verspeiding is intussen naar het noorden opgeschoven. Schaars begroeide buitendijkse broedgebieden gingen verloren door de aanleg van de afsluitdijk in de Zuiderzee. Door het verdwijnen van de kustdynamiek en verzoeting van het water raakten broedgebieden ongeschikt. Het verdwijnen van blauwgraslanden in Friesland leidde eveneens tot biotoopverlies (bron: Vogelbescherming Nederland ).