Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Breedbekstrandloper is een compacte vogel die lijkt op een Bonte Strandloper, maar hij is kleiner, de bovenzijde is scherper getekend en hij mist de zwarte vlek die de Bonte Strandloper op de buik heeft in het zomerkleed.
De bovenzijde van de Breedbekstrandloper is donkerbruin en zwart, met lichte veerranden, die een regelmatig patroon van pijlvormige strepen vormen. De onderzijde is wit met een gestreepte borst. Hij heeft een opvallend gestreepte koptekening: een witte wenkbrauwstreep en vanaf de snavel loopt een tweede witte streep; deze 'vork' is vooral van voren bezien goed zichtbaar. De Breedbekstrandloper heeft vrij korte poten en een relatief lange en brede snavel die bij de punt iets naar beneden buigt. Het winterkleed is minder contrastrijk en hoofdzakelijk grijs.
Breedbekstrandlopers zijn trekvogels. Ze broeden in natte hoogveengebieden en in moerassen in Fennoscandinavië. Verder zijn er populaties in Noord- en Noordoost-Siberië. Het nest is een kuiltje in de grond en er is één legsel. Ze fourageren op slikken en soortgelijke modderplaten en eten insecten, slakjes, wormen, en ook zaden.
De Siberische populatie overwintert in Zuidoost-Azië. De popuatie uit Fennoscandinavië trekt over Oost-Europa naar het Arabisch Schiereiland en Oost-Afrika. Soms dwalen enkele exemplaren af en die worden dan ook wel in Nederland gezien. Breedbekstrandlopers worden bijna jaarlijks, in wisselende aantallen waargenomen, het lijkt alsof het aantal gevallen afhankelijk is van weersinvloeden (met name oostenwind). De meeste waarnemingen vallen tussen 1 mei en 2 juni (Dutchbirding). De nazomerwaarnemingen vallen bijna allemaal in juli en augustus. De soort kan zowel in getijdengebieden opduiken (Friese waddenkust) als bij zoetwaterplassen in het binnenland, soms met enkele exemplaren bijeen (bron: Sovon ).
De bovenzijde van de Breedbekstrandloper is donkerbruin en zwart, met lichte veerranden, die een regelmatig patroon van pijlvormige strepen vormen. De onderzijde is wit met een gestreepte borst. Hij heeft een opvallend gestreepte koptekening: een witte wenkbrauwstreep en vanaf de snavel loopt een tweede witte streep; deze 'vork' is vooral van voren bezien goed zichtbaar. De Breedbekstrandloper heeft vrij korte poten en een relatief lange en brede snavel die bij de punt iets naar beneden buigt. Het winterkleed is minder contrastrijk en hoofdzakelijk grijs.
Breedbekstrandlopers zijn trekvogels. Ze broeden in natte hoogveengebieden en in moerassen in Fennoscandinavië. Verder zijn er populaties in Noord- en Noordoost-Siberië. Het nest is een kuiltje in de grond en er is één legsel. Ze fourageren op slikken en soortgelijke modderplaten en eten insecten, slakjes, wormen, en ook zaden.
De Siberische populatie overwintert in Zuidoost-Azië. De popuatie uit Fennoscandinavië trekt over Oost-Europa naar het Arabisch Schiereiland en Oost-Afrika. Soms dwalen enkele exemplaren af en die worden dan ook wel in Nederland gezien. Breedbekstrandlopers worden bijna jaarlijks, in wisselende aantallen waargenomen, het lijkt alsof het aantal gevallen afhankelijk is van weersinvloeden (met name oostenwind). De meeste waarnemingen vallen tussen 1 mei en 2 juni (Dutchbirding). De nazomerwaarnemingen vallen bijna allemaal in juli en augustus. De soort kan zowel in getijdengebieden opduiken (Friese waddenkust) als bij zoetwaterplassen in het binnenland, soms met enkele exemplaren bijeen (bron: Sovon ).