Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Kanoet is de grootste strandloper die in ons land voorkomt en bijna even groot als de Tureluur. Een Kanoet is eenvoudig te herkennen aan het forse formaat en de gedrongen bouw met korte nek. Hij heeft een relatief korte zwarte snavel en groenige poten; rondom de snavelbasis zit een rand van witte veertjes. In zomerkleed zijn kop, nek en onderdelen warm roodbruin, de bovenzijde heeft zwarte en geelbruine vlekken. Zo lijkt het zomerkleed sprekend op dat van Krombekstrandloper, maar die is kleiner, heeft langere zwarte poten, en een langere, naar beneden gebogen snavel. In winterkleed is de bovenzijde van een Kanoet grijs en de onderzijde grijswit.
Kanoeten broeden in Hoog-arctische gebied rond de gehele Noordelijke IJszee. Ze broeden in hooggelegen droge toendra met steenrichels, op hoogvlakten met wilg en op pollige, moerassige hellingen. Het nest is een ondiep kuiltje bekleed met bladeren, korstmos en mos. Er is één legsel en beide ouders broeden. De jongen zijn nestvlieders en fourageren een tijdlang samen met de ouders. Voordat de jongen volgroeid zijn vertrekt het vrouwtje, het mannetje volgt erna en de jongen zelf nog weer later.
Het voedsel van Kanoet is gevarieerd en afhankelijk van de situatie, verblijfplaats en het aanbod. In de wintermaanden zijn het vooral kleine schaaldieren (nonnetjes en kokkels) en ook wat kreeftachtigen, wormen en slakken. In de zomer in het broedgebied eten ze insecten, spinnen, kreeftachtigen, slakken en wormen en ook plantaardig zoals zaden en knoppen.
Kanoeten trekken zuidwaarts via een beperkt aantal pleisterplaatsen met veel voedsel (zoals de Waddenzee). Canadese en Groenlandse Kanoeten (ondersoort islandica) overwinteren in de Waddenzee. De Siberische populatie (ondersoort canutus) trekt in voor- en najaar door de Waddenzee en overwintert in Afrika (bron: Vogelbescherming Nederland ).
Kanoeten worden bijna alleen in het Waddengebied en de zoute delen van de Delta gezien; in het binnenland zijn ze schaars. In juni en juli zijn kleine aantallen Kanoeten in Nederland aanwezig. De aantallen nemen in augustus sterk toe tot zo'n 100.000 exemplaren of meer, met enorme concentraties op onbewoonde eilanden en zandplaten. In de maanden september tot en met november liggen de aantallen gewoonlijk wat lager, terwijl ze in de wintermaanden variabel zijn. Dit is afhankelijk van het optreden of uitblijven van strenge vorst, waardoor een deel van de Kanoeten soms wegtrekt. De voorjaartrek piekt in mei (bron: Sovon ).
Kanoeten broeden in Hoog-arctische gebied rond de gehele Noordelijke IJszee. Ze broeden in hooggelegen droge toendra met steenrichels, op hoogvlakten met wilg en op pollige, moerassige hellingen. Het nest is een ondiep kuiltje bekleed met bladeren, korstmos en mos. Er is één legsel en beide ouders broeden. De jongen zijn nestvlieders en fourageren een tijdlang samen met de ouders. Voordat de jongen volgroeid zijn vertrekt het vrouwtje, het mannetje volgt erna en de jongen zelf nog weer later.
Het voedsel van Kanoet is gevarieerd en afhankelijk van de situatie, verblijfplaats en het aanbod. In de wintermaanden zijn het vooral kleine schaaldieren (nonnetjes en kokkels) en ook wat kreeftachtigen, wormen en slakken. In de zomer in het broedgebied eten ze insecten, spinnen, kreeftachtigen, slakken en wormen en ook plantaardig zoals zaden en knoppen.
Kanoeten trekken zuidwaarts via een beperkt aantal pleisterplaatsen met veel voedsel (zoals de Waddenzee). Canadese en Groenlandse Kanoeten (ondersoort islandica) overwinteren in de Waddenzee. De Siberische populatie (ondersoort canutus) trekt in voor- en najaar door de Waddenzee en overwintert in Afrika (bron: Vogelbescherming Nederland ).
Kanoeten worden bijna alleen in het Waddengebied en de zoute delen van de Delta gezien; in het binnenland zijn ze schaars. In juni en juli zijn kleine aantallen Kanoeten in Nederland aanwezig. De aantallen nemen in augustus sterk toe tot zo'n 100.000 exemplaren of meer, met enorme concentraties op onbewoonde eilanden en zandplaten. In de maanden september tot en met november liggen de aantallen gewoonlijk wat lager, terwijl ze in de wintermaanden variabel zijn. Dit is afhankelijk van het optreden of uitblijven van strenge vorst, waardoor een deel van de Kanoeten soms wegtrekt. De voorjaartrek piekt in mei (bron: Sovon ).