Terug naar soorten

Dwergstern

Sternula albifrons Meeuwen

Rode lijst KW|
0jaren
0territoria
0hoogste jaar

Nog geen gecontroleerde Meijendel-reeks beschikbaar.

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Dwergstern
Dwergstern Foto: JJ Harrison (Own work)|https://en.wikipedia.org/wiki/User:JJ_Harrison

Beschrijving

De Dwergstern is de kleinste in Nederland voorkomende stern, slechts half zo groot als een Visdief. Het verenkleed is voornamelijk wit met een lichtgrijze rug. Opvallend in het zomerkleed is de witte vlek op het voorhoofd in een overigens zwarte kopkap. Wat verder opvalt is een zwarte 'teugel'. Deze tekening is in het winterekleed veel minder scherp. Verder is de snavel geel met een klein zwart puntje en zijn de poten oranjegeel.

Vanwege relatief smalle vleugels valt de snelle vleugelslag op. Deze vogel bidt vaak langdurig en laag boven het water, regelmatig gevolgd door een stootduik om zijn prooi (kleine visjes en garnalen) te vangen, waarbij de vogel regelmatig geheel onder water verdwijnt.

De Dwergstern komt voor aan de kusten en grote binnenwateren in Europa en tropisch en gematigde gebieden in Azië, Afrika en Australië. Het is een uitgesproken trekvogel. Europese vogels trekken in september terug naar de tropische kusten van West-Afrika.

Dwergsterns broeden in Nederland vrijwel uitsluitend in het Deltagebied en het Waddengebied. Broedgevallen in het IJsselmeergebied komen sinds de jaren tachtig vrijwel niet meer voor. Ze komen in april terug en broeden in kolonies op kale en verlaten zandstranden en droogvallende platen in kustgebieden of in grote rivieren. Ondiepe, visrijke wateren in de nabijheid zijn vereist. Het nest is een kommetje in het zand. Er is slechts één legsel, maar een verloren legsel wordt vervangen. Ook buiten de broedtijd worden Dwergsterns bijna alleen in de kuststrook gezien.

Voorkomen

In de eerste helft van de twintigste eeuw nestelden er maximaal 1000 paartjes in ons land. Net als bij andere sterns leed de stand onder vergiftiging met landbouwbestrijdingsmiddelen, zodat er in 1967 slechts 100 broedparen over waren. Daarna herstelde de stand zich tot maximaal rond 800 paren sinds de eeuwwisseling. De jaarlijkse aantalsverschillen kunnen echter groot zijn (bron: Sovon )

Vogelkenmerken

Kleine koloniale stern van kale schelpenbanken en zandplaten; jaagt duikend op kleine vis en is gevoelig voor verstoring en overstroming.

Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Kleine Plevier-groep, Strandplevier-groep). Rode Lijst: RL: Kwetsbaar. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van open terrein zonder gesloten boom- of struiklaag. Gebruik van kale zand-, slik- of schelpenbanken als pionierhabitat. Gebruik van kwelder- of schormilieu met zoutminnende vegetatie. Gebruik van schelpenbanken als broed- of rustplaats. Gebruik van schelprijk kustsubstraat. Steil duikend als een torpedo jagen op vis.

Voedsel van volwassen vogels: Vis als voedsel voor volwassen vogels. kleine vis

Nestplaats en nestbouw: Nest op kale zandige duinbodem. Grondnest. Nestkuiltje tussen schelpen of schelpenrijk substraat.

Gedrag, ecologie en levenswijze: Compacte, snelle vluchtstijl. Snel fladderende jachtvlucht.

Bescherming

Door de uitvoering van de Deltawerken, de havenuitbreiding van Rotterdam en de opkomst van het massatoerisme op de stranden zijn veel broedplaatsen ongeschikt geworden of geheel verdwenen. Bovendien leidde de vergiftiging van het in de Noordzee stromende Rijnwater tot grote sterfte (bron: Vogelbescherming Nederland.