Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De ontwikkeling van jong tot volwassen Zilvermeeuw verloopt in verschillende verenkleed-stadia. Er zijn vier gedaanten waarin de soort zich voordoet. Juveniele Zilvermeeuwen zijn overwegend grijsbruin, naarmate ze ouder worden gaan ze steeds meer op de volwassen vogels lijken. In alle stadia heeft de Zilvermeeuw roze poten, het belangrijkste verschil met de sterk gelijkende Geelpootmeeuw.
Het zijn alleseters met een natuurlijk menu van zeebanket, regenwormen, emelten, insecten en jonge vogels. Ze breken mosselschelpen open door ze uit de lucht op een harde ondergrond te laten vallen. Dit menu wordt aangevuld met menselijk afval als brood, patat en etensresten dat verzameld wordt op vuilstortplaatsen.
Zilvermeeuwen zijn koloniebroeders, vooral langs de zeekust. In stedelijk gebied broeden ze ook op de grintdaken van woonblokken. In duingebieden maken ze hun nest op de grond. Het vrij grote nest is vaak een kuil in de grond, het wordt met wat natuurlijk material bekleed. Beide ouders broeden de 3 eieren uit en voeden de jongen op.
Voorkomen
Door de (terug)komst van de vos in de duinen is de Zilvermeeuw eind jaren '80 als broedvogel in Meijendel (èn de gehele Hollandse duinstreek) verdwenen. Om dezelfde reden zijn ook kolonies verdwenen van ander meeuwensoorten zoals Kleine Mantelmeeuw en Kokmeeuw. Bedenk daarbij overigens dat de afwezigheid van de vos vòòr 1980 in Meijendel een onnatuurlijke situatie was.
Vogelkenmerken
Kustgebonden grote meeuw, vooral vis- en schelpdiereter; broedt koloniaal op eilanden, daken, kwelders en duinen.
Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Scholekster-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van aas en kadavers langs kust en strand. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Schelpdieren laten vallen om ze open te breken. Gebruik van schelprijk kustsubstraat. Sterke binding aan strand, branding en kustlijn. Gebruik van open water, plassen of watergangen.
Voedsel van volwassen vogels: Vis als voedsel voor volwassen vogels. Breed opportunistisch omnivoor dieet; vooral relevant bij kraaiachtigen wanneer geen enkele voedselgroep dominant is. Schelpdieren zoals mosselen en kokkels. Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden kikkers, jonge vogels, kleine gewervelden en andere grotere prooien
Nestplaats en nestbouw: Nest in gebouw, spleet, dakrand of kunstmatige constructie. Nest in kolonies of dicht bij soortgenoten. Dicht opeengepakte nesten binnen een kolonie. Grondnest. Open grondnest.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Sterke partnertrouw over jaren. Sterke trouw aan nestplaats of broedlocatie.
Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig.