Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Los van het formaat is het grootste verschil met Zilvermeeuw de grijze kleur van diens bovenzijde en met de Kleine Mantelmeeuw (die eveneens zwart van boven is) de kleur van de poten: die van de Grote zijn vaalroze, de Kleine heeft gele poten.
Het Europese broedgebied van de Grote Mantelmeeuw ligt grotendeels langs de kusten van Scandinavië, Groot Brittannië en IJsland, waar hij broedt op rotsen en kliffen op plaatsen met enige begroeiing. De Grote Mantelmeeuw broedt vanaf 1993 jaarlijks in ons land, eerst aan het Veerse Meer, nu in het hele Deltagebied en ook in de Wadden. De vestiging als nieuwe broedvogel past binnen de uitbreiding aan de zuidrand van het Europese broedgebied. De meeste paren broeden solitair op onbereikbare eilandjes of strekdammen. In Nederland ligt het nest van deze grote meeuw gewoon op de grond. Het is gebouwd uit een hoop plantendelen en bekleed met veren en gras. Meestal is er één broedsel per jaar.
Na de broedtijd trekken de vogels niet ver weg om te overwinteren bij groot open water, vooral zeekusten. In de winter bereikt het aantal aanwezige Grote Mantelmeeuwen in Nederland overigens zijn maximum met vogels die uit het noorden komen. Verder worden in Nederland in de zomer nog niet-broedende jongere vogels gezien.
Voorkomen
Vrijwel alle broedgevallen vinden plaats op de Wadden en in het Deltagebied, met recent ook enkele gevallen in het IJsselmeergebied. De meeste paren broeden solitair op onbereikbare eilandjes of strekdammen (bron: zie vogel.asp r398).
Vogelkenmerken
Zeer grote, relatief solitaire kustmeeuw; predator en opportunist met voorkeur voor hoge overzichtelijke nestplaatsen.
Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Scholekster-groep). Rode Lijst: RL: Gevoelig. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van hoge heggen, bosranden of opgaande randvegetatie. Voedsel verkrijgen door prooien van andere vogels af te pakken.
Voedsel van volwassen vogels: Vogels en jonge vogels. Eieren van andere vogels.
Nestplaats en nestbouw: Nest in hoge heg of hoge struikrand. Nest in struiken of struweelvegetatie.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Voortdurend waakzaam omgevingsscannen in of rond kolonie. Solitaire paarpositie of ruime afstand tot andere paren.