Terug naar soorten

Kleine Mantelmeeuw

Larus fuscus Meeuwen

Broedvogel
39jaren
14680territoria
1812hoogste jaar

1958 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Kleine Mantelmeeuw
Kleine Mantelmeeuw Foto: Arild Vågen · CC BY-SA 3.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Kleine Mantelmeeuw is een zomergast. Er zijn diverse overeenkomsten met de Zilvermeeuw, maar is er door de donkergrijze vleugels en gele poten niet mee te verwarren. Bovendien is deze soort veel minder algemeen dan zijn neef. Verwarring met de Grote Mantelmeeuw is evenmin waarschijnlijk, die is een forse slag groter - een ware kolos - en in Nederland vooral een wintergast.

Deze soort komt hoofdzakelijk in de kuststreek voor en dan vooral op de Waddeneilanden en in de Delta. In herfst en voorjaar trekt de donkerder Scandinivische vorm bij ons door, een zeldzame wintergast is de zwarte Baltische vorm. Dan trekt 'onze' Kleine Mantelmeeuw naar warmere oorden in het zuiden, voornamelijk Afrika, om daar te ruien.

Hoog op het menu van de Kleine Mantelmeeuw staat afval, hij volgt (vissers)schepen in afwachting van wat er overboord gaat en zoekt voedsel op vuilnisbelten. Daarnaast eet deze vogel wormen, grote insecten, muizen en jonge vogels, maar ook zeewier en graan.

Het nest ligt vaak goed verborgen tussen de vegetatie. Het is een ondiep kuiltje in de grond, gevoerd met een laag plantaardig materiaal. Het legsel bestaat uit 3 eieren, wordt door zowel mannetje als vrouwtje bebroed en de jongen door beide ouders groot gebracht. Juveniele Kleine Mantelmeeuwen zijn bruingrijs gestreept en lijken daarin erg op jonge Zilvermeeuwen. In de eerste twee levensjaren gaat dat geleidelijk over in het volwassen kleed.

Voorkomen

Na het eerste broedgeval in 1926 op Terschelling, bleef de Kleine Mantelmeeuw lange tijd zeldzaam in Nederland; rond 1960 ging het om slechts 80 paren. Vanaf 1970 begon een explosieve toename naar meer dan 100.000 paren in 2010. Aanhoudend slecht broedsucces maakt aannemelijk dat de aantallen op termijn weer gaan dalen. Waddengebied (50%) en Deltagebied (42%) nemen de overgrote meerderheid van de broedparen voor hun rekening. De kolonie op Maasvlakte-Europoort (max. bijna 30.000 paren) is vermoedelijk de grootste binnen Europa. In de Hollandse duinen nestelden tot de komst van de Vos enkele duizenden paren. Sindsdien ging een deel broeden op gebouwen (bron: zie vogel.asp r398).

In 1983 waren er nog liefst 2000 paar Kleine Mantelmeeuwen in Meijendel. Vanaf dat jaar is het aantal broedgevallen gestaag achteruitgegaan met uitzondering van een korte opleving in 1988. Op dit ogenblik broeden er geen Kleine Mantelmeeuwen meer. Als grondbroeder hadden de meeuwen geen kans tegen de vossen. Het is overigens goed te bedenken dat de afwezigheid van de vos vòòr 1980 een onnatuurlijke situatie was.

Vogelkenmerken

Grote koloniale meeuw van kust, havens en daken; plaats- en partnertrouw, met lange voedselvluchten naar zee en land.

Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Scholekster-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Lange voedselvluchten maken vanaf kolonie of nestgebied. Gebruik van schelprijk kustsubstraat. Gebruik van open water, plassen of watergangen.

Voedsel van volwassen vogels: akkerfauna/wormen op landbouwgrond Vis als voedsel voor volwassen vogels. Wormen als belangrijke voedselbron. Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. fruit en bessen Breed opportunistisch omnivoor dieet; vooral relevant bij kraaiachtigen wanneer geen enkele voedselgroep dominant is. kikkers, jonge vogels, kleine gewervelden en andere grotere prooien

Nestplaats en nestbouw: Nest in gebouw, spleet, dakrand of kunstmatige constructie. Nest in kolonies of dicht bij soortgenoten. Dicht opeengepakte nesten binnen een kolonie. Grondnest. Open grondnest. Nest op plat dak of gebouw.

Gedrag, ecologie en levenswijze: Uitgevlogen jongen vliegen bedelend achter ouders aan. Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast. Sterke partnertrouw over jaren. Sterke trouw aan nestplaats of broedlocatie.

Migratie: Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen. Zomergast; aanwezig in broedseizoen en afwezig in winter.