Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Deze soort komt hoofdzakelijk in de kuststreek voor en dan vooral op de Waddeneilanden en in de Delta. In herfst en voorjaar trekt de donkerder Scandinivische vorm bij ons door, een zeldzame wintergast is de zwarte Baltische vorm. Dan trekt 'onze' Kleine Mantelmeeuw naar warmere oorden in het zuiden, voornamelijk Afrika, om daar te ruien.
Hoog op het menu van de Kleine Mantelmeeuw staat afval, hij volgt (vissers)schepen in afwachting van wat er overboord gaat en zoekt voedsel op vuilnisbelten. Daarnaast eet deze vogel wormen, grote insecten, muizen en jonge vogels, maar ook zeewier en graan.
Het nest ligt vaak goed verborgen tussen de vegetatie. Het is een ondiep kuiltje in de grond, gevoerd met een laag plantaardig materiaal. Het legsel bestaat uit 3 eieren, wordt door zowel mannetje als vrouwtje bebroed en de jongen door beide ouders groot gebracht. Juveniele Kleine Mantelmeeuwen zijn bruingrijs gestreept en lijken daarin erg op jonge Zilvermeeuwen. In de eerste twee levensjaren gaat dat geleidelijk over in het volwassen kleed.
Voorkomen
In 1983 waren er nog liefst 2000 paar Kleine Mantelmeeuwen in Meijendel. Vanaf dat jaar is het aantal broedgevallen gestaag achteruitgegaan met uitzondering van een korte opleving in 1988. Op dit ogenblik broeden er geen Kleine Mantelmeeuwen meer. Als grondbroeder hadden de meeuwen geen kans tegen de vossen. Het is overigens goed te bedenken dat de afwezigheid van de vos vòòr 1980 een onnatuurlijke situatie was.
Vogelkenmerken
Grote koloniale meeuw van kust, havens en daken; plaats- en partnertrouw, met lange voedselvluchten naar zee en land.
Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Scholekster-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Lange voedselvluchten maken vanaf kolonie of nestgebied. Gebruik van schelprijk kustsubstraat. Gebruik van open water, plassen of watergangen.
Voedsel van volwassen vogels: akkerfauna/wormen op landbouwgrond Vis als voedsel voor volwassen vogels. Wormen als belangrijke voedselbron. Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. fruit en bessen Breed opportunistisch omnivoor dieet; vooral relevant bij kraaiachtigen wanneer geen enkele voedselgroep dominant is. kikkers, jonge vogels, kleine gewervelden en andere grotere prooien
Nestplaats en nestbouw: Nest in gebouw, spleet, dakrand of kunstmatige constructie. Nest in kolonies of dicht bij soortgenoten. Dicht opeengepakte nesten binnen een kolonie. Grondnest. Open grondnest. Nest op plat dak of gebouw.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Uitgevlogen jongen vliegen bedelend achter ouders aan. Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast. Sterke partnertrouw over jaren. Sterke trouw aan nestplaats of broedlocatie.
Migratie: Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen. Zomergast; aanwezig in broedseizoen en afwezig in winter.