Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Een mix van helder groene tinten en gele vleugelpennen verklaren de naam van de soort, al is het vrouwtje (onderste foto) wat grijziger groen dan de man. Zijn vrij zachte zang bestaat uit een reeks van roepjes en 'nasaal' gekwetter dat een beetje aan een kanarie doet denken. De Groenling eet voornamelijk zaden, knoppen en bessen, in de broedtijd aangevuld met insecten.
Het is een sociale vogel, vaak zijn meerdere nesten in dezelfde struik te vinden. Het is een komvormig nest van takjes, gras en stengels, gevoerd met mos en plantenwortels. De 4-6 eieren worden door het vrouwtje uitgebroed, beide ouders voeren de jongen. Jaarlijks worden meestal twee legsel grootgebracht.
's Winters fourageert hij in de regel groepsgewijs op stoppelvelden en braakliggend terrein, samen met andere vinkachtigen en gorzen. Incidenteel vertrekken Nederlandse Groenlingen naar zuidelijker streken, maar ze worden aangevuld met Scandinavische vogels dus de aantallen blijven min of meer gelijk. Ze zijn bijzonder trouw aan hun overwinteringsstek. Uit ringonderzoek is gebleken dat deze vogels jaar op jaar op dezelfde plek overwinteren.
Voorkomen
In Meijendel is het aantal na een daling eind jaren '80, sinds medio '90 gestabiliseerd op een handvol territoria. Vanaf 2014 lijkt het aantal weer iets te stijgen.
Vogelkenmerken
Semikoloniale zaadeter van dicht struikgewas en halfopen landschap.
Ecologische vogelgroepen: Bosrandvogels (Bosrandstruweelvogels, Putter-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren in individuele struiken en of lage houtige vegetatie. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone.
Voedsel van volwassen vogels: zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest in struiken of struweelvegetatie. Open nest in open/lossere struikstructuur.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast.
Migratie: Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.