Terug naar soorten

Groenling

Chloris chloris Vinken

Broedvogel
62jaren
791territoria
42hoogste jaar

1961 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Groenling
Groenling Foto: Martin Kunz · CC BY 4.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Groenling is van oorsprong een bewoner van bosranden en halfopen vegetatie, maar deze habitat is schaars geworden. Dankzij een enorm aanpassingsvermogen leeft deze vogel tegenwoordig ook in allerlei door de mens aangepast landschap, mits er maar voldoende dichte struiken te vinden zijn. Het is landelijk een jaarvogel en talrijke broedvogel.

Een mix van helder groene tinten en gele vleugelpennen verklaren de naam van de soort, al is het vrouwtje (onderste foto) wat grijziger groen dan de man. Zijn vrij zachte zang bestaat uit een reeks van roepjes en 'nasaal' gekwetter dat een beetje aan een kanarie doet denken. De Groenling eet voornamelijk zaden, knoppen en bessen, in de broedtijd aangevuld met insecten.

Het is een sociale vogel, vaak zijn meerdere nesten in dezelfde struik te vinden. Het is een komvormig nest van takjes, gras en stengels, gevoerd met mos en plantenwortels. De 4-6 eieren worden door het vrouwtje uitgebroed, beide ouders voeren de jongen. Jaarlijks worden meestal twee legsel grootgebracht.

's Winters fourageert hij in de regel groepsgewijs op stoppelvelden en braakliggend terrein, samen met andere vinkachtigen en gorzen. Incidenteel vertrekken Nederlandse Groenlingen naar zuidelijker streken, maar ze worden aangevuld met Scandinavische vogels dus de aantallen blijven min of meer gelijk. Ze zijn bijzonder trouw aan hun overwinteringsstek. Uit ringonderzoek is gebleken dat deze vogels jaar op jaar op dezelfde plek overwinteren.

Voorkomen

Groenlingen broeden relatief talrijk in groene wijken van dorpen en steden, plaatselijk ook in kleinschalig boerenland en jonge aanplant. Ze mijden zeer open gebieden en aaneengesloten bos. De landelijke aantallen vertonen op de lange termijn een toename, die minstens voor een deel op het conto van verstedelijking komt. De soort broedt inmiddels in vrijwel het hele land, waarbij de kolonisatie van Zuidelijk Flevoland het laatste grote wapenfeit was (bron: zie vogel.asp r398).

In Meijendel is het aantal na een daling eind jaren '80, sinds medio '90 gestabiliseerd op een handvol territoria. Vanaf 2014 lijkt het aantal weer iets te stijgen.

Vogelkenmerken

Semikoloniale zaadeter van dicht struikgewas en halfopen landschap.

Ecologische vogelgroepen: Bosrandvogels (Bosrandstruweelvogels, Putter-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren in individuele struiken en of lage houtige vegetatie. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone.

Voedsel van volwassen vogels: zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Nest in struiken of struweelvegetatie. Open nest in open/lossere struikstructuur.

Gedrag, ecologie en levenswijze: Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast.

Migratie: Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.