Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Het is een jaarvogel en wijdverspreid als broedvogel in Nederland. In de najaar trekken 'onze' Kneutjes naar het zuiden, dan worden ook behoorlijke aantallen doortrekkers waargenomen. Onze Kneuen worden in de winter in kleinere aantal vervangen door soortgenoten uit noordelijker streken.
De Kneu houdt van een gevarieerd halfopen landschap met bomen, lage bosjes en open gedeelten met lage vegetatie. Bij voorkeur zijn er braakliggende terreinen in de buurt om voedsel op te zoeken. Het is een zaadeter die zich voedt met zaden van allerlei kruiden. Vroeger werd de Kneu 'Vlasvink' en 'Hennepvink' genoemd omdat men dacht dat hij alleen van hennep- en vlaszaad leefde. Zijn menu bestaat echter uit een grote verscheidenheid van zaden. 's Zomers wordt het dieet aangevuld met insecten.
Vanwege het fraaie lied werden Kneutjes vroeger als volièrevogel gehouden. Het is een gevarieerd, muzikaal gekwetter met heldere fluitende tonen en trillers, dat gewoonlijk vanaf een zangpost wordt gezongen.
Kneuen broeden vaak met meedere broedparen in de buurt van elkaar. Het vrouwtje bouwt het wat slordige nest bij voorkeur laag in een struik zoals een duindoorn. Het is een nest van gras en mos, bekleed met haar en wol. Ze legt 4-6 eieren die ze alleen uitbroedt. Het mannetje helpt bij het voeren van de jongen. In de regel volgt een tweede broedsel, soms zelfs een derde.
Buiten het broedseizoen groeperen Kneutjes zich en dan ze zijn ook in gemengde groepen van andere vinkachtigen en gorzen te vinden.
Voorkomen
Deze vogelsoort neemt overigens in alle omringende landen ook sterk af, waarbij problemen in de Zuidwest-Europese overwinteringsgebieden zeker niet zijn uit te sluiten.
Vogelkenmerken
Trekkende zaadeter van doornstruwelen en zandige terreinen.
Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep, Roodborsttapuit-groep). Rode Lijst: RL: Gevoelig. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van doornige struiken, vooral duindoorn, meidoorn of braam. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Gebruik van lage struiken, heidestruiken of jonge opslag. Gebruik van overgangszones tussen open terrein en struik- of bosrand. Zaden zoeken op open bodem of korte vegetatie. Zaden vormen het hoofdvoedsel; duidelijke zaadspecialisatie. Territoriale zangvlucht als opvallend gedragselement. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van vaste uitkijkposten voor zang, jacht of bewaking. Gebruik van onkruidrijke veldjes en ruigten met veel zaden.
Voedsel van volwassen vogels: knoppen/katjes plantaardig materiaal, waterplanten, gras, knoppen of blad zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen onkruidzaden Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest diep verborgen in doornige struik- of struweelvegetatie. Nest in struiken of struweelvegetatie. Nest in doornstruik zoals meidoorn, braam of duindoorn.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Tetterende bedelroep van juvenielen. Meerdere territoriale paren broeden dicht bijeen. Los gegroepeerd broeden of beperkte territoriale exclusiviteit; geen strikte kolonie. Mannetje begeleidt nestbouwend of foeragerend vrouwtje. Voortdurend rusteloos rondvliegen of rondzwerven. Vaste zangpost boven of aan rand van territorium. Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast.
Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Korte- tot middellange-afstandstrekker