Terug naar soorten

Kneu

Linaria cannabina Vinken

Broedvogel Rode lijst GE|GE
68jaren
4562territoria
201hoogste jaar

1958 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Kneu
Kneu Foto: Joe Pell · CC BY 2.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Kneu is doorgaans een vrij onopvallend gekleurde vogel met vaalbruine bovendelen, de handpennen zijn donker met een witte rand. De onderzijde is vaalwit en de borst bij het vrouwtje bruingestreept. In het voorjaar krijgt het mannetje een fraai zomerkleed met een karmijnrode borst en idem voorhoofd op de verder grijzige kop. Die fraaie rode kleur verandert in het najaar meestal in een meer roodbruine tint.

Het is een jaarvogel en wijdverspreid als broedvogel in Nederland. In de najaar trekken 'onze' Kneutjes naar het zuiden, dan worden ook behoorlijke aantallen doortrekkers waargenomen. Onze Kneuen worden in de winter in kleinere aantal vervangen door soortgenoten uit noordelijker streken.

De Kneu houdt van een gevarieerd halfopen landschap met bomen, lage bosjes en open gedeelten met lage vegetatie. Bij voorkeur zijn er braakliggende terreinen in de buurt om voedsel op te zoeken. Het is een zaadeter die zich voedt met zaden van allerlei kruiden. Vroeger werd de Kneu 'Vlasvink' en 'Hennepvink' genoemd omdat men dacht dat hij alleen van hennep- en vlaszaad leefde. Zijn menu bestaat echter uit een grote verscheidenheid van zaden. 's Zomers wordt het dieet aangevuld met insecten.

Vanwege het fraaie lied werden Kneutjes vroeger als volièrevogel gehouden. Het is een gevarieerd, muzikaal gekwetter met heldere fluitende tonen en trillers, dat gewoonlijk vanaf een zangpost wordt gezongen.

Kneuen broeden vaak met meedere broedparen in de buurt van elkaar. Het vrouwtje bouwt het wat slordige nest bij voorkeur laag in een struik zoals een duindoorn. Het is een nest van gras en mos, bekleed met haar en wol. Ze legt 4-6 eieren die ze alleen uitbroedt. Het mannetje helpt bij het voeren van de jongen. In de regel volgt een tweede broedsel, soms zelfs een derde.

Buiten het broedseizoen groeperen Kneutjes zich en dan ze zijn ook in gemengde groepen van andere vinkachtigen en gorzen te vinden.

Voorkomen

De aantallen Kneuen in Nederland zijn sinds de jaren '80 sterk afgenomen. Door schaalvergrotingen van het landelijk gebied is dat steeds minder geschikt voor deze soort. Het is nog wel steeds een algemene vogel en het aantal broedparen lijkt stabiel (40.000-50.000 in 1998-2000), maar de dichtheden zijn met name in de agrarische gebieden enorm afgenomen (bron: zie vogel.asp r398).

Deze vogelsoort neemt overigens in alle omringende landen ook sterk af, waarbij problemen in de Zuidwest-Europese overwinteringsgebieden zeker niet zijn uit te sluiten.

Vogelkenmerken

Trekkende zaadeter van doornstruwelen en zandige terreinen.

Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep, Roodborsttapuit-groep). Rode Lijst: RL: Gevoelig. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van doornige struiken, vooral duindoorn, meidoorn of braam. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Gebruik van lage struiken, heidestruiken of jonge opslag. Gebruik van overgangszones tussen open terrein en struik- of bosrand. Zaden zoeken op open bodem of korte vegetatie. Zaden vormen het hoofdvoedsel; duidelijke zaadspecialisatie. Territoriale zangvlucht als opvallend gedragselement. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van vaste uitkijkposten voor zang, jacht of bewaking. Gebruik van onkruidrijke veldjes en ruigten met veel zaden.

Voedsel van volwassen vogels: knoppen/katjes plantaardig materiaal, waterplanten, gras, knoppen of blad zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen onkruidzaden Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Nest diep verborgen in doornige struik- of struweelvegetatie. Nest in struiken of struweelvegetatie. Nest in doornstruik zoals meidoorn, braam of duindoorn.

Gedrag, ecologie en levenswijze: Tetterende bedelroep van juvenielen. Meerdere territoriale paren broeden dicht bijeen. Los gegroepeerd broeden of beperkte territoriale exclusiviteit; geen strikte kolonie. Mannetje begeleidt nestbouwend of foeragerend vrouwtje. Voortdurend rusteloos rondvliegen of rondzwerven. Vaste zangpost boven of aan rand van territorium. Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast.

Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Korte- tot middellange-afstandstrekker

Bescherming

De aantallen van de Kneu zijn in Nederland de laatste vijftig jaar sterk achteruitgegaan, met meer dan de helft. In agrarisch cultuurlandschap speelt gebrek aan voedsel en nestgelegenheid de Kneu parten. Voedselgebrek is er als gevolg van bestrijdingsmiddelen, veranderde gewaskeuze (meer snijmaïs), verdergaande uniformiteit van gewasteelt en het verdwijnen van overhoekjes, stoppelvelden, kruidenrijke bermen en akkerranden. Ook nestgelegenheid in dichte hagen verminderde op veel plekken. De ontwikkelingen in de landbouw zijn op enkele uitzonderingen na niet hoopgevend voor de Kneu. Problemen in de Zuidwest-Europese winterkwartieren (voedselgebrek?) zijn aannemelijk; kennis hierover is gewenst (bron: Vogelbescherming Nederland ). De Kneu staat daarom om de Rode Lijst.