Terug naar soorten

Kleine Barmsijs

Acanthis cabaret Vinken

Broedvogel Rode lijst |
0jaren
0territoria
0hoogste jaar

Nog geen gecontroleerde Meijendel-reeks beschikbaar.

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Kleine Barmsijs
Kleine Barmsijs Foto: Jyrki Salmi (Finland)|https://www.flickr.com/photos/salman2000/albums/72157627696308662

Beschrijving

De belangrijkste kenmerken van de Kleine barmsijs zijn het rode voorhoofd, de kleine, gele, spitse, vinkachtige snavel en de zwarte kin. Het volwassen mannetje valt op door zijn rode borst. In Europa broeden twee verschillende soorten barmsijzen, de Kleine en de Grote Barmsijs. De Kleine Barmsijs broedt sinds 1942 in Nederland, terwijl de Grote Barmsijs verder naar het noorden broedt en alleen in de winter in Nederland aanwezig is.

Vanuit de Waddeneilanden is deze vinkachtige zich geleidelijk steeds verder in ons land gaan vestigen. Het zwaartepunt ligt echter nog steeds op de eilanden en ook in de westelijke kustgebieden. De barmsijzen die zich hier gevestigd hebben komen waarschijnlijk uit Engeland.

In de winter zwerven barmsijzen vaak in gezelschap van andere vinken fouragerend rond. Incidenteel wordt ‘s winters een invasieachtige aanwezigheid van barmsijzen geconstateerd; deze vogels komen dan meestal uit Scandinavië.

Taxonomie
Grote en Kleine barmsijzen waren eerst één soort. Over de opsplitsing wordt verschillend gedacht, ze wordt vaak beschouwd als kunstmatig. Naast enkele kleine verschillen in het kleed is het meest opvallende onderscheid het broedgebied. Voor de Grote barmsijs is dat Scandinavië, voor de Kleine ligt dat zuidelijker, o.a. in (Noord-) Nederland. Waarnemingen in de broedtijd betreffen de Kleine Barmsijs. Deze nestelt dan vooral op de Waddeneilanden en in de duinstreek van het vasteland.

Voorkomen

Waarnemingen in de broedtijd betreffen de Kleine Barmsijs. Deze nestelt vooral op de Waddeneilanden en in de duinstreek van het vasteland. Na het eerste broedgeval in 1942 (Terschelling), namen de aantallen toe naar een top rond 1980. Omstreeks die tijd vestigden zich ook kleine aantallen op heidevelden in het binnenland, vooral in Drenthe en de Veluwe. Vervolgens namen de aantallen in de kerngebieden af en verdween de soort nagenoeg van de heidevelden. Deze ontwikkeling viel samen met een sterke afname van de grote broedpopulatie op de Britse Eilanden. Een bescheiden vestiging eind jaren negentig in de grensstreek van Oost-Nederland sluit aan op een uitdijende verspreiding vanuit Midden-Europa. Dit proces zette in ons land echter niet door (bron: zie vogel.asp r398).

Waar in de jaren tachtig nog sprake was van een redelijk aantal broedgevallen in Meijendel, zijn sinds midden jaren negentig meer incidenteel dan structureel nog enkele gevallen vastgesteld.