Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Sijs is een klein zangvogeltje, iets kleiner dan een koolmees. Hij is overwegend groengeel van kleur en de mannetjes hebben een zwart petje. Het vrouwtje is minder groenig geel en is meer grijzig gestreept, zij heeft geen petje. De Sijs heeft een gevorkte staart. De spitse kegelvormige snavel is grijs en bij uitstek geschikt om zaden uit kegels van naaldbomen te peuteren, of uit elzenproppen en berkenkatjes.
Sijzen komen in heel Europa voor, als standvogel en als trekvogel. De noordelijke vogels, uit Scandinavië (m.u.v. het zuiden) en Rusland, trekken 's winters zuidwaarts, door West-Europa tot in Noord-Afrika. Vogels van de Britse Eilanden, Zuid-Scandinavië en Oost-Europa zijn primair standvogels. Nederland heeft geen vaste broedpopulatie en is afhankelijk van de periodieke instroom vanuit de noordelijke en oostelijke (vaste) broedgebieden (bron: Sovon ).
Sijzen broeden in naaldbossen met een hoog aandeel sparren en lariksen, soms in gemengde bossen en parken. Voorwaarde is dat er voldoende voedsel (sparrenkegels!) aanwezig is. Het nest zit hoog in een naaldboom en is praktisch niet te vinden. Het is een compacte constructie van fijne takjes, gras, mos en wol, bekleed met haar en dons. Het vrouwtje broedt alleen en wordt door het mannetje gevoerd. Beide vogels verzorgen de jongen. Er zijn in de regel twee broedsels per jaar. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit dennen- en onkruidzaden, als er jongen zijn aangevuld met insecten.
Sijzen zijn in Nederland het hele jaar wel te zien, meestal als doortrekker of wintergast uit Noord- en Oost-Europa. Ze trekken bijna altijd in kleine tot grotere groepjes rond, daarbij luid kwetterend en fluitend. In de winter kunnen de groepen echt fors worden met vele tientallen exemplaren. Ze zitten het meest op elzen waar ze zich tegoed doen aan elzenzaad. Acrobatisch hangend aan de ‘proppen’ laten ze zich dan goed zien. Ze zijn overigens ook te vinden op voedertafels.
Trekkende Sijzen zijn in het hele land te vinden in bosrijke streken maar ook in stedelijk groen en bij beplanting in boerenland. In sommige jaren treden invasies op die zich al in juni kunnen aankondigen. De meeste trek vindt echter plaats tussen eind september en half november, met de piek halverwege oktober. De aantallen overwinteraars verschillen sterk van winter tot winter. Bovendien zijn deze vogels erg mobiel en verkassen ze wanneer voedselbronnen uitgeput raken. Na de winter vertrekt het gros van de Sijzen weer retour naar de broedgebieden (bron: Sovon ).
Sijzen komen in heel Europa voor, als standvogel en als trekvogel. De noordelijke vogels, uit Scandinavië (m.u.v. het zuiden) en Rusland, trekken 's winters zuidwaarts, door West-Europa tot in Noord-Afrika. Vogels van de Britse Eilanden, Zuid-Scandinavië en Oost-Europa zijn primair standvogels. Nederland heeft geen vaste broedpopulatie en is afhankelijk van de periodieke instroom vanuit de noordelijke en oostelijke (vaste) broedgebieden (bron: Sovon ).
Sijzen broeden in naaldbossen met een hoog aandeel sparren en lariksen, soms in gemengde bossen en parken. Voorwaarde is dat er voldoende voedsel (sparrenkegels!) aanwezig is. Het nest zit hoog in een naaldboom en is praktisch niet te vinden. Het is een compacte constructie van fijne takjes, gras, mos en wol, bekleed met haar en dons. Het vrouwtje broedt alleen en wordt door het mannetje gevoerd. Beide vogels verzorgen de jongen. Er zijn in de regel twee broedsels per jaar. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit dennen- en onkruidzaden, als er jongen zijn aangevuld met insecten.
Sijzen zijn in Nederland het hele jaar wel te zien, meestal als doortrekker of wintergast uit Noord- en Oost-Europa. Ze trekken bijna altijd in kleine tot grotere groepjes rond, daarbij luid kwetterend en fluitend. In de winter kunnen de groepen echt fors worden met vele tientallen exemplaren. Ze zitten het meest op elzen waar ze zich tegoed doen aan elzenzaad. Acrobatisch hangend aan de ‘proppen’ laten ze zich dan goed zien. Ze zijn overigens ook te vinden op voedertafels.
Trekkende Sijzen zijn in het hele land te vinden in bosrijke streken maar ook in stedelijk groen en bij beplanting in boerenland. In sommige jaren treden invasies op die zich al in juni kunnen aankondigen. De meeste trek vindt echter plaats tussen eind september en half november, met de piek halverwege oktober. De aantallen overwinteraars verschillen sterk van winter tot winter. Bovendien zijn deze vogels erg mobiel en verkassen ze wanneer voedselbronnen uitgeput raken. Na de winter vertrekt het gros van de Sijzen weer retour naar de broedgebieden (bron: Sovon ).
Voorkomen
Sijzen zijn het talrijkst op de Veluwe en in Drenthe en veel schaarser in de door dennen gedomineerde naaldbossen van zuidelijk Nederland. De aantallen zijn afhankelijk van de zaadzetting in de naaldbomen. In ongunstige jaren broeden hooguit enkele tientallen paren in ons land, in zeer gunstige jaren als 1989 en 1992 tot enkele duizenden. In de periode 1998-2000 telt de broedpopulatie 500-1200 paren.
Sijzen waren in de eerste helft van de twintigste eeuw zeldzaam maar namen daarna toe door het op leeftijd komen van grote oppervlakten aangeplant naaldbos. Desondanks heeft Nederland waarschijnlijk geen vaste broedpopulatie en zijn we afhankelijk van de periodieke instroom uit oostelijker gebieden (bron: zie vogel.asp r398).
Sijzen waren in de eerste helft van de twintigste eeuw zeldzaam maar namen daarna toe door het op leeftijd komen van grote oppervlakten aangeplant naaldbos. Desondanks heeft Nederland waarschijnlijk geen vaste broedpopulatie en zijn we afhankelijk van de periodieke instroom uit oostelijker gebieden (bron: zie vogel.asp r398).
Vogelkenmerken
Ecologische vogelgroepen: Bosvogels (Kruisbek-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen