Kavel 13S wordt in het broedseizoen sinds 1976 geïnventariseerd (m.u.v. de jaren 1986 en 1990). Het is het meest noordelijke aan zee grenzende kavel van Meijendel. De zeereep maakt deel uit van dit kavel. Aan de landzijde bevinden zich enkele vochtige duinvalleien (behorend tot de Kikkervalleien), waarvan er één een ondiepe duinplas vormt.
Grasmus, Fitis, Heggenmus en Nachtegaal zijn hier soorten met de meeste territoria. De Graspieper is er de laatste jaren duidelijk in opkomst. De Sprinkhaanzanger is er eveneens jaarlijks te horen.
Tot in de tachtiger jaren was hier een aanzienlijk deel van de meeuwenkolonie, die overigens daarna geheel verdwenen is (mogelijk met de opkomst van de Vos). Er waren vooral veel Zilver- en Kleine mantelmeeuwen, maar ook Stormmeeuwen.
Ook tijdens de najaarstrek zijn de Graspiepers een vermelding waard, naast diverse andere soorten zoals de Spreeuw, Lijster, Roodborst en vinkensoorten. In de trektijd, vooral in het najaar, wordt zo nu en dan ook een Velduil waargenomen. Op drassige plaatsen overwinteren vaak enkele Bokjes. Gedurende de trektijd in het voorjaar zijn regelmatig Beflijsters aanwezig.