Terug naar soorten

Grasmus

Sylvia communis Grasmussen

Broedvogel Rode lijst |
68jaren
23105territoria
665hoogste jaar

1958 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Grasmus
Grasmus Foto: Steve Garvie from Dunfermline, Fife, Scotland · CC BY-SA 2.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Grasmus is een zomergast die overwintert ten zuiden van de Sahara in de Sahelzone. De Grasmus is, op de Fitis na, de meest voorkomende zangvogel in Meijendel en is te vinden in half open terrein met struiken als vlier, duindoorn, braam en liguster. Van half april tot juni is deze soort - met uitzondering van het bos - overal aanwezig en niet te missen. Vaak zitten ze op de top van een struik om hun krassend liedje ten gehore te brengen. De witte keel en de grijze kop zijn goede kenmerken, evenals de roestbruine veen halverwege hun vleugels.

De Grasmus is ook gemakkelijk te herkennen aan de zangvlucht. Af en toe schiet hij al zingend een paar meter omhoog om even later weer op een struik neer te dalen. HIj zingt vanaf zonsopkomst tot zonsondergang, de eerste twee uur na zonsopkomst het intensiefst.

Grasmussen bouwen hun nest laag bij de grond in een dichte struik, verscholen in het hoge gras. Meestal wordt een tweede legsel geproduceerd en grootgebracht.

Een simulatie-studie aan de Universiteit van Durham laat zien dat door klimaat-verandering trans-sahara trekkers in de toekomst steeds langer onderweg zullen zijn van overwinteringsgebied naar broedgebied en vice versa. Broedgebieden schuiven noordwaarts en ook de overwinteringsgebieden schuiven verder weg. Nieuwe trekstrategieën en routes zullen nodig zijn als antwoord op de klimaatverandering.

De conclusie is dat lange afstandstrekkers meer de gevolgen zullen ondervinden van de klimaatverandering dan korte afstandstrekkers of standvogels. Trans-Sahara trekkers krijgen de grootste afstandstoename te verwerken terwijl vogels met een beperkt leefgebied een grote populatie-afname tegemoet kunnen zien vanwege de kleine of ontbrekende overlap tussen hun huidige en potentiële toekomstige leefgebied.

Voorkomen

Grasmussen nestelen graag in doornstruiken of ruigte. Ze zijn dan ook het talrijkst in struweelrijke duinen en kleinschalig boerenland met veel heggen. In bos- en natuurgebieden bewoont de Grasmus doorgaans randen en open plekken met opslag. Diep in stedelijk gebied is de soort zeldzaam. Als overwinteraar in de Sahel is de Grasmus erg gevoelig voor droogtes aldaar. Zo'n situatie deed zich voor net voor de start van het broedvogelmeetnet. De gesuggereerde toename in de grafiek is dus grotendeels louter herstel na een diepe inzinking. Ook recente pieken en dalen vallen samen met gunstige of juist ongunstige overwinteringsomstandigheden in West-Afrika (bron: zie vogel.asp r398).

Vanaf 1968 is het aantal grasmussen in Meijendel flink gedaald. Elk volgend jaar zette de daling voort. In 1967 werden nog 224 paar grasmussen geteld, in 1974 waren er dat nog maar 45; een daling van 80%. De achteruitgang werd onder andere veroorzaakt door extreme droogte in het overwinteringsgebied. De jaren daarna bleef de populatie op een laag pijl. De toename in de beginperiode van het BMP (1984) is derhalve, net als het landelijke beeld, vooral een geleidelijk herstel. Rond 1990 is de populatie terug op het niveau van 1967 en blijft de jaren daarna doorgroeien omdat in de duinen meer struikgewas is gekomen. Kort na de eeuwwisseling zet het aantal broedparen in Meijendel een geleidelijke daling in die nu lijkt te zijn afgevlakt.

Vogelkenmerken

Algemene struweelvogel, zingt opvallend tijdens korte baltsvluchten boven vegetatie.

Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep, Roodborsttapuit-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van lage, dichte struikvegetatie. Gebruik van overgangszones tussen open terrein en struik- of bosrand. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van dicht doornstruweel. Zingen vanuit toppen van struiken of lage bomen. Sterke binding aan dichte ondergroei. Gebruik van vaste uitkijkposten voor zang, jacht of bewaking.

Voedsel van volwassen vogels: Kevers en torren als belangrijke prooigroep. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden grote insecten Spinnen als voedselbron.

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Grondnest verborgen onder vegetatiedekking. Nest verwerkt in of tussen helmgras. Meerdere nestbeginsels voordat definitief nest wordt gekozen. Nest in struiken of struweelvegetatie. Nest in doornstruik zoals meidoorn, braam of duindoorn.

Gedrag, ecologie en levenswijze: Dwarrelende zangvlucht boven of tussen struiken. Fladderende zangvlucht. Populatie of overleving beïnvloed door omstandigheden in de Sahel. Zang neemt sterk af na eileg of later in het seizoen. Regelmatig tweede broedsel binnen één broedseizoen. Smakkende contact- of alarmroep. Vaste zangpost boven of aan rand van territorium.

Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.