Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De aanwezigheid van een Braamsluiper wordt vooral verraden door het opklinken van een een-tonig geratel uit het binnenste van een struik. Dichtbij deze zanger is te horen dat die ratel voorafgegaan wordt door een zacht en kort prevelend liedje.
Hij is overigens ook veel minder talrijk dan zijn familielid.
De Braamsluiper is een zomergast, de eerste exemplaren komen in de regel in april terug uit het overwinteringsgebied Oost Afrika, vooral Soedan en Tsjaad. Hij doet zijn naam eer aan want leidt zijn steelse leven bij voorkeur in doornige struiken in een halfopen landschap. Grote delen van de Meijendelse duinen, daar waar veel duin- en meidoorns staan, zijn dus uitstekend geschikt.
Het komvormige nest van de Braamsluiper zit diep verborgen in degelijke struiken en struwelen. Het is gebouwd van stengels en wortels, soms bekleed met wat haar ofzo. Het vrouwtje bebroedt het legsel, beide ouders voeren de jongen. Meestal is er een tweede broedsel.
Voorkomen
Na een achteruitgang hebben de aantallen Braamsluipers zich gestabiliseerd in Nederland. Mogelijk heeft de soort te lijden onder de enorme droogtes in Oost-Afrika (bron: Vogelbescherming Nederland ).
Grote delen van Meijendel beschikken over het juiste biotoop (doornstruwelen!) en de Braamsluiper is dan ook goed vertegenwoordigd. Het aantal broedgevallen hier is door de jaren heen geleidelijk gestegen maar lijkt inmiddels het hoogtepunt voorbij (zie grafiek met tabel boven).
Vogelkenmerken
Zuidelijke spotvogel, zingt luid vanuit dicht struikgewas en bosranden.
Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van lage, dichte struikvegetatie. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van randen binnen struweelstructuur. Sterke binding aan dichte ondergroei.
Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden fruit en bessen
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest diep verborgen in dichte struikvegetatie. Nest in struiken of struweelvegetatie.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Langdurig optrekken in familiegroepen na uitvliegen. Zang eindigt hinnikend of rinkelend. Smakkende contact- of alarmroep.
Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.