Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Graspieper heeft een slank postuur, loopt net als zijn familieleden met kwikkende staart en ook de vlucht vertoont hetzelfde golvende patroon als die van Kwikstaarten. Deze pieper lijkt erg veel op zijn neef de Boompieper, maar is daarvan te onderscheiden door de zangvlucht, en bovendien zit de Graspieper vooral op de grond, zijn neef in bomen. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten.
De zangvlucht van het mannetje is opvallend: hij klimt zwijgend steil omhoog naar zo'n 25-30 meter en begint dan luid zingend te dalen met de vleugels in een glijstand. Een serie eentonige, snel herhaalde en doordringende noten fluitend parachuteert hij naar beneden, om uiteindelijk met een triller te landen, meestal op de grond.
De Graspieper is een vrij algemene vogelsoort van open terrein zoals weilanden, heide, duinen of ook cultuurlandschappen. Graspiepers in boerenland broeden vooral in gebieden met een hoog aandeel bouwland en een grote lengte aan dijken en slootranden; hoge dichtheden in graslandgebieden komen tegenwoordig alleen nog voor bij wat extensiever grondgebruik. Ze nestelen ook in open heide- en duingebieden, op kwelders/schorren en in stedelijk gebied soms op braakliggende gronden (bron: Sovon ).
Het nest van gras en bekleed met haar wordt gebouwd in een gras- of heidepol, op de grond. Er komen 3-5 eieren in te liggen die het vrouwtje alleen uitbroedt. Beide ouders voeren de jongen. Het nest van deze Pieper wordt nogal eens door de Koekoek gebruikt om een ei in te leggen.
Graspiepers zijn trekvogels, de onze trekken naar Zuid-West Europa en de Middellandse Zee om te overwinteren. Graspiepers in de winter komen vermoedelijk uit Scandinavië en zijn vooral talrijk in de trektijd. De voorjaarstrek begint in zachte winters eind februari, in koudere winters wat later, maar bereikt steevast zijn piek half april. De najaarstrek piekt tussen eind september en half oktober. In zachte winters blijven grote aantallen overwinteren, in strenge winters zijn ze veel schaarser (bron: Sovon ).
In mei 2012 maakte Stichting Bargerveen bekend dat eieren van Tapuiten en Graspiepers in het Noord-Hollands Duinreservaat en het Aekingerzand veel dioxines bevatten. Die dioxines zijn vermoedelijk afkomstig van insecten die deze gifstoffen opnemen uit de bodem. Vervolgonderzoek moet uitwijzen hoe de stapeling van dioxinen in natuurgebieden verloopt, welke diersoorten een hoge blootstelling ondervinden en welke oplossingsrichtingen er zijn. Via deze link is het artikel in 'Vakblad natuur bos landschap' te lezen, toegespitst op de Tapuit.
Voorkomen
Het aantal territoria in Meijendel is tot 2005 fors gestegen, maar is daarna even hard afgenomen en uiteindelijk gehalveerd. De laatste jaren lijkt het aantal weer te herstellen.
Vogelkenmerken
Openlandpieper van helm, grasland, zeereep en kwelders; grondbroeder met opvallende zangvlucht en tweetonige alarmroep.
Ecologische vogelgroepen: Vogels van pionierbegroeiingen (Fazant-groep, Scholekster-groep); Vogels van open heide (Wulp-groep); Weidevogels (Veldleeuwerik-groep). Rode Lijst: RL: Gevoelig. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren vliegend in de lucht. Opspringend of vliegend uit de lucht grijpen van insecten. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Lopend op de bodem voedsel oppikken. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van helmgras en andere hoge grasvegetatie in duinen. Parachuterende balts- of zangvlucht. Sterke binding aan zeereep, helmduinen of eerste duinenrij. Territoriale zangvlucht als opvallend gedragselement.
Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden grote insecten langpootmuggen Spinnen als voedselbron. Rupsen als belangrijke voedselbron.
Voedsel voor jongen: Grondgebonden insecten als voedsel voor jongen. Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest onder overhangende grashalmen of graspollen. Grondnest. Grondnest verborgen onder vegetatiedekking.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Zang versnelt naar het einde toe. Opvliegen vanaf de grond bij benadering. Zachte, verborgen alarmroep nabij nest of jongen. Lange, relatief rechte achterklauw. Duidelijke trekpiek beïnvloedt waarnemingskans. Opvallend open en weinig getekend gezichtspatroon. Tweetonige alarmroep. Tweetonige contactroep.
Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen.