Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Waterpieper lijkt (in winterkleed) op een Oever- of een Graspieper, maar is een slag groter dan die laatste. De donkere poten helpen het onderscheid maken. In zomerkleed heeft de Waterpieper een vrijwel ongetekende lichtroze onderzijde, er is alleen enige diffuse streping op flanken en zijborst zichtbaar. In alle kleden is een lichte wenkbrauwstreep te zien.
De Waterpieper komt in Europa als broedvogel voor in bergachtige streken van Zuid-Europa en in de Alpen, boven de boomgrens. Het nest wordt gebouwd in een rotsspleet of holte of verborgen in vegetatie, soms aan het einde van een tunnel. Het nest is een kommetje van gras, stengels en bladeren en is bekleed met wat mos en haar e.d.. Een Waterpieper broedt in de regel tweemaal per jaar.
Het is een trekvogel die in de winter over korte afstanden trekt naar lager gelegen gebieden, waarbij ze ook Nederland aandoen. De eerste vogels worden meestal half oktober gezien en de trek houdt aan tot diep in november. De voorjaarstrek is -in tegenstelling tot de meeste vogelsoorten- zuidoostwaarts gericht en vindt plaats in maart en begin april.
Overwinteraars zijn het talrijkst in hoogveen, veenweidegebieden en moeras, totdat de vorst invalt. Ze zoeken voedsel in ondiep water en modderige plekken en moeten dan verkassen naar kwelplekken en open zoet water, zoals langs beken en kanalen en in uiterwaarden. Strenge winters dunnen de winteraantallen gevoelig uit (bron: Sovon ).
Soms overwinteren er een paar in Meijendel, zeker niet jaarlijks, zoals in 2013 en 2015. En zeer recent ook in 2023. In de periode 2000-2016 zijn zeven Waterpiepers geringd door leden van Vogelringstation Meijendel.
De Waterpieper komt in Europa als broedvogel voor in bergachtige streken van Zuid-Europa en in de Alpen, boven de boomgrens. Het nest wordt gebouwd in een rotsspleet of holte of verborgen in vegetatie, soms aan het einde van een tunnel. Het nest is een kommetje van gras, stengels en bladeren en is bekleed met wat mos en haar e.d.. Een Waterpieper broedt in de regel tweemaal per jaar.
Het is een trekvogel die in de winter over korte afstanden trekt naar lager gelegen gebieden, waarbij ze ook Nederland aandoen. De eerste vogels worden meestal half oktober gezien en de trek houdt aan tot diep in november. De voorjaarstrek is -in tegenstelling tot de meeste vogelsoorten- zuidoostwaarts gericht en vindt plaats in maart en begin april.
Overwinteraars zijn het talrijkst in hoogveen, veenweidegebieden en moeras, totdat de vorst invalt. Ze zoeken voedsel in ondiep water en modderige plekken en moeten dan verkassen naar kwelplekken en open zoet water, zoals langs beken en kanalen en in uiterwaarden. Strenge winters dunnen de winteraantallen gevoelig uit (bron: Sovon ).
Soms overwinteren er een paar in Meijendel, zeker niet jaarlijks, zoals in 2013 en 2015. En zeer recent ook in 2023. In de periode 2000-2016 zijn zeven Waterpiepers geringd door leden van Vogelringstation Meijendel.