Terug naar soorten

Oeverpieper

Anthus petrosus Kwikstaarten

0jaren
0territoria
0hoogste jaar

Nog geen gecontroleerde Meijendel-reeks beschikbaar.

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Oeverpieper
Oeverpieper Foto: Edwin Bax

Beschrijving

Een Oeverpieper is wat groter en steviger dan een Gras- of Boompieper. Deze is duidelijk donkerder dan de andere Piepers en het kleed is minder contrastrijk. Deze heeft donkere poten terwijl de andere roze poten hebben. De buitenste staartpennen zijn grijs i.p.v. wit.

Eigenlijk moet de naam van deze Pieper een mix zijn van de Nederlandse, Duitse èn Engels naam want ze bevolken de bij voorkeur rotskusten van vrijwel heel Scandinavië en Groot Brittanië tot in Frankrijk. Als echte kustvogel vertoont de Oeverpieper zich maar zelden ver in het binnenland.

Oeverpiepers broeden op rotsachtige zeekust en eilanden met lage vegetatie. Het nest is een kommetje van gras, stengels, bladeren en zeewier, lichtjes bekleed met fijner materiaal. Het bevindt zich in de spleet van een klif, of in kleine holte op een oever of op een met gras begroeide helling, ook wel onder een rots of een klont van vegetatie. Het vrouwtje broedt op de eieren, beide ouders voeren de jongen. Vaak zijn er twee legsels.

De Noordelijke popupatie trekt voor de winter zuidwaarts en overwintert langs de Nederlandse kust en verder zuid, mede afhankelijk van de aard van de winter. Oeverpiepers zijn in Nederland tussen half september en half april, met schaarse meldingen in augustus en mei. De aantallen zijn het hoogst in oktober-november, wanneer vooral de kwelders van het Waddengebied vol met Oeverpiepers kunnen zitten. In koude winters kan het accent richting Deltagebied verschuiven. De terugtrek naar de Scandinavische broedgebieden verloopt bijna ongemerkt tussen eind februari en begin april (bron: Sovon ).