Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Deze soort is een zomergast die overwintert in tropisch Afrika. Het is een vrij algemene broedvogel van duinen waar veel struikgewas is. Verder komt hij voor op de Waddeneilanden, laagveengebieden en langs de grote rivieren. Voorwaarde is relatief open gebieden zoals in de duinvalleien van Meijendel. Daar verzamelen ze hun voedsel, zoals spinnetjes, teken en andere ongewervelenden, over de grond kruipend als een muis of laag in de vegetatie.
Mannetje en vrouwtje bouwen samen het nest van gras op een onderlaag van dode bladeren, op of aan de grond. Vaak wordt een soort tunneltje aangelegd naar het nest toe.
Beide ouders broeden de 4 - 6 eieren uit en verzorgen de jongen.
Voorkomen
Na een langdurige steiging van het aantal broedgevallen in Meijendel, is het aantal na 2005 afgenomen en lijkt (voorlopig) gestabiliseerd op 50% van de piek in de periode 2004-2007.
Vogelkenmerken
Stiekeme ruigte- en moerasrandsoort met ratelende zang en lage foerageerwijze.
Ecologische vogelgroepen: Rietvogels (Blauwborst-groep); Struweelvogels (Rietgors-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren zeer laag bij de grond of in dichte lage vegetatie. Lopend of sluipend bewegen door lage vegetatie op grondniveau. Foerageren diep verborgen in dichte vegetatie. Gebruik van open terrein zonder gesloten boom- of struiklaag. Afhankelijkheid van open bodemstructuur voor foerageren. Langdurige ratelende zang als territoriaal signaal. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Zingen vanuit toppen van struiken of lage bomen. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking.
Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Spinnen als voedselbron.
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Grondnest verborgen onder vegetatiedekking. Nest in de kruidlaag, laag boven of op de grond.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Zang of activiteit vooral rond zonsopkomst en zonsondergang. Ratelzang wisselt in volume doordat de vogel met de kop draait. Vrouwtje gedraagt zich extreem verborgen en is moeilijk te zien. Nachtelijke zangactiviteit. Langdurige zang van ongepaard mannetje.
Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Trekkend gedrag algemeen.