Terug naar soorten

Snor

Locustella luscinioides Sprinkhaanzangers

Broedvogel Rode lijst KW|
7jaren
8territoria
2hoogste jaar

1972 t/m 2000 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Snor
Snor Foto: Sgbeer · CC BY-SA 4.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Snor is een echte moerasvogel. Hij lijkt vanwege zijn effen bruine verenpak wel wat op een Nachtegaal, werd heel vroeger dan ook wel de Nachtegaalrietzanger genoemd. Hij is een zomergast die overwintert in de tropische zones van Oost-Afrika en Zuid-Azië.

De Snor heeft een voorkeur voor opgaande, overjarige rietvegetaties met een goed ontwikkelde onderlaag van oud plantenmateriaal in ondiep water. Verspreide wilgopslag lijkt optimaal, maar is geen harde eis.

Als in het voorjaar vroeg in de ochtend een aangehouden monotoon ratelend geluid te horen is in een dergeljk rietveld, dan is de kans groot dat er een Snor zit te zingen. Het is één van de Sprinkhaanzangers (Latijn: Locustellidae) die hun naam danken aan de zang die lijkt op het geluid van een Sprinkhaan of Krekel. De zang van de Snor wordt soms ook vergeleken met een een snorrend spinnewiel. De ratel van de Snor lijkt nog het meest op die van de Sprinkhaanzanger, maar is lager van toon met een hogere frequentie.

Het onderscheid van deze laatste is verder te maken door het biotoop; Sprinkhaanzangers zijn vooral in open ruigtes te vinden met lage, dichte vegetatie van struiken en kruiden, zoals een duinvallei met duindoorn. Bovendien leidt de Snor een minder verborgen leven dan zijn familielid; op zoek naar voedsel sluipt hij weliswaar door het riet, maar hij zingt bij voorkeur vanaf een zichtbare post. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit insecten en larven van insecten.

Hij bouwt zijn vrij grote nest van riet en zeggebladeren graag verborgen in en onder geknakt oud riet. Het vrouwtje broedt de 4 à 5 eieren alleen uit en brengt de jongen eveneens alleen groot.

Voorkomen

De verspreiding van de Snor concentreert zich in natte rietlanden in Laag-Nederland. In bijzonder geschikte biotopen, als de Oostvaardersplassen en enkele laagveenmoerassen, kunnen honderden broedparen voorkomen. In Hoog-Nederland was de Snor altijd al vrij schaars en is hij sinds ongeveer 1975 op veel plaatsen verdwenen. Sinds de jaren '70 is de broedpopulatie van deze soort landelijk ongeveer gehalveerd, sindsdien lijkt deze stabiel en de laatste jaren laten een stijgende lijn zien.

De landelijke aantallen worden grotendeels bepaald door de grote populatie in het westen en noorden van het land. Dat de landelijke stand opveert na neerslagrijke winters in de Sahel, suggereert een verband met de overwinteringsomstandigheden (bron: zie vogel.asp r398).

In Meijendel wordt slechts incidenteel een broedgeval vastgesteld.

Vogelkenmerken

Rietspecialist van overjarige rietvelden met kniklaag en lage ondergroei.

Ecologische vogelgroepen: Rietvogels (Roerdomp-groep, Waterrietvogels). Rode Lijst: RL: Kwetsbaar. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van rietvelden met een laag oud geknikt of gebroken riet. Foerageren zeer laag bij de grond of in dichte lage vegetatie. Gebruik van open terrein zonder gesloten boom- of struiklaag. Afhankelijkheid van open bodemstructuur voor foerageren. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking.

Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Spinnen als voedselbron.

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Nest in of direct boven kniklaag van oud riet. Grondnest. Nest in rietvegetatie.

Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Trekkend gedrag algemeen.

Bescherming

Sinds 1975 is de Snor bijna overal in aantal afgenomen, ook in de voormalige bolwerken in het Utrechts/Hollands plassengebied en de Friese meren. Het is niet geheel duidelijk in hoeverre de afname van de Snor van doen heeft met problemen in de trek- en overwinteringsgebieden. Droogte in de Sahel is in ieder geval slecht voor deze soort. Zeker is dat ook het onnatuurlijk waterbeheer ('s winters laag en 's zomers hoog) in Nederland van veel door agrarisch gebied omgeven binnenwateren een rol speelt, evenals verdroging en verruiging van oevervegetatie en - plaatselijk - het omzetten van rietranden in akkerland. Daarnaast kan de toename van water- en oeverrecreatie en exploitatie van riet plaatselijk van belang zijn (bron: Vogelbescherming Nederland ).