Terug naar soorten

Koolmees

Parus major Mezen

Broedvogel
68jaren
17920territoria
490hoogste jaar

1958 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Koolmees
Koolmees Foto: Frank Vassen from Brussels, Belgium · CC BY 2.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Koolmees is een van de bekendste standvogels van Nederland. Want Koolmezen vind je wel haast overal en wie (her)kent dit vogeltje met zijn groen-geel-zwarte verenpak niet? In zeer bosrijke gebieden kent deze soort de hoogste dichtheid. In de winter neemt het aantal Koolmezen soms enorm toe door invasies van doortrekkers.

Maar niet alleen in de vrije natuur zijn ze te vinden, ze zijn ook volop in stadsparken, tuinen en op terassen aanwezig, met name als er een voederplank staat of pinda's hangen.

De Koolmees is een holenbroeder en elke daar aanwezige nestkasts wordt op z'n minst op geschiktheid onderzocht en vaak wordt er een nestje in gebouwd. Het legsel telt normaliter zo'n 8 à 12 eieren. Aangezien de Koolmees afhankelijk is van de hoeveelheid beschikbare insecten en rupsen moet deze hierop in spelen wanneer er gebroed wordt. Omdat het in de regel in het voorjaar steeds eerder warm is vindt ook de leg steeds eerder plaats. Als daarentegen het voorjaar koud is en er weinig voedsel te vinden is legt het vrouwtje vaak maar de helft van het normale legsel. Tijdens het broeden wordt het vrouwtje door het mannetje gevoerd. Beide ouders verzorgen de jongen; die krijgen vooral insecten te eten zoals rupsen en bladluizen, maar soms ook knoppen en zaden.

Het onderscheid tussen de geslachten kan middels de zwarte borststreep worden gemaakt; de "stropdas" van het vrouwtje is beduidend smaller dan die van het mannetje. Het vocabulaire van de Koolmees is zeer uitgebreid en kan wel 40 variaties omvatten.

Voorkomen

In heel Nederland zijn Koolmezen te vinden, enkele boomloze gebieden daargelaten. De soort heeft een voorkeur voor oud loofbos maar kan door het ophangen van nestkasten ook in andere bostypen of in stedelijk gebied hoge dichtheden bereiken. Afgezien van de vlotte kolonisatie van geschikte nieuwe gebieden (zoals Zuidelijk Flevoland) is de verspreiding al vele decennia ongewijzigd. De landelijke aantallen namen in dezelfde periode licht toe, met inzinkingen na winters met strenge vorst en veel sneeuw. De toename zal (deels) samenhangen met het ouder en geschikter worden van veel bossen en meer groenvoorzieningen in verstedelijkend, voorheen open landschap. In naaldbossen op arme zandgronden zijn de broedresultaten matig door kalkgebrek en wordt enige afname verwacht (bron: zie vogel.asp r398).

Vogelkenmerken

Algemene slimme mees, zoekt insecten en zaden in diverse habitats.

Ecologische vogelgroepen: Bosvogels (Vink-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van open boomkronen of hogere boomlaag. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van bomen als leef-, nest- of foerageerplaats. Foerageren in individuele struiken en of lage houtige vegetatie.

Voedsel van volwassen vogels: Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden fruit en bessen zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Nest in gebouw, spleet, dakrand of kunstmatige constructie. Holte- of spleetbroeder in bomen; inclusief spechtenholen en natuurlijke boomholtes Hangend nest, meestal aan twijg of tak.

Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig.

Achtergrond

Koolmezen en klimaatverandering
Uit een Brits onderzoek blijkt dat Koolmezen in de afgelopen dertig jaar bijna een gram aan lichaamsgewicht verloren. Dat lijkt weinig, maar voor een vogeltje van nog geen 19 gram is dat relatief veel. Bij o.a. Zwartkoppen en Pimpelmezen werd een overeenkomstige tendens vastgesteld. De meest waarschijnlijke oorzaak is opwarming van het klimaat. Slanker worden is namelijk een al lang bekende aanpassing aan warmere omstandigheden. De achtergrond van dit fenomeen heeft te maken met de relatie tussen oppervlak (de huid) en inhoud (omvang). Hoe meer oppervlak er relatief is, hoe sneller warmte wordt afgegeven en de energie huishouding is er steeds op gericht om zo efficiënt mogelijke met warmte om te gaan. Slanker wordende vogels laten dus evolutie in sneltreinvaart zien.