Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Maar niet alleen in de vrije natuur zijn ze te vinden, ze zijn ook volop in stadsparken, tuinen en op terassen aanwezig, met name als er een voederplank staat of pinda's hangen.
De Koolmees is een holenbroeder en elke daar aanwezige nestkasts wordt op z'n minst op geschiktheid onderzocht en vaak wordt er een nestje in gebouwd. Het legsel telt normaliter zo'n 8 à 12 eieren. Aangezien de Koolmees afhankelijk is van de hoeveelheid beschikbare insecten en rupsen moet deze hierop in spelen wanneer er gebroed wordt. Omdat het in de regel in het voorjaar steeds eerder warm is vindt ook de leg steeds eerder plaats. Als daarentegen het voorjaar koud is en er weinig voedsel te vinden is legt het vrouwtje vaak maar de helft van het normale legsel. Tijdens het broeden wordt het vrouwtje door het mannetje gevoerd. Beide ouders verzorgen de jongen; die krijgen vooral insecten te eten zoals rupsen en bladluizen, maar soms ook knoppen en zaden.
Het onderscheid tussen de geslachten kan middels de zwarte borststreep worden gemaakt; de "stropdas" van het vrouwtje is beduidend smaller dan die van het mannetje. Het vocabulaire van de Koolmees is zeer uitgebreid en kan wel 40 variaties omvatten.
Voorkomen
Vogelkenmerken
Algemene slimme mees, zoekt insecten en zaden in diverse habitats.
Ecologische vogelgroepen: Bosvogels (Vink-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van open boomkronen of hogere boomlaag. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van bomen als leef-, nest- of foerageerplaats. Foerageren in individuele struiken en of lage houtige vegetatie.
Voedsel van volwassen vogels: Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden fruit en bessen zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest in gebouw, spleet, dakrand of kunstmatige constructie. Holte- of spleetbroeder in bomen; inclusief spechtenholen en natuurlijke boomholtes Hangend nest, meestal aan twijg of tak.
Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig.