Terug naar soorten

Pimpelmees

Cyanistes caeruleus Mezen

Broedvogel
61jaren
8860territoria
290hoogste jaar

1961 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Pimpelmees
Pimpelmees Foto: Maximilian Dorsch · CC BY-SA 3.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Pimpelmees is een jaarvogel en zeer talrijke broedvogel. Van oorsprong is het een bosvogel en zijn dat uiteraard nog steeds. Maar ze zijn volledig aangepast aan de menselijke omgeving, niet zo schuw, en volop in (balkon)tuinen en parken te vinden. Het is daardoor welhaast één van de bekendste van onze vogelsoorten. In erg koude winters trekken noordelijker populaties (Oostzee) in grote aantallen zuid-westwaarts.

Het fraaie, contrastrijk gekleurde verenpak draagt bij aan bekendheid en populariteit van deze Mees. Vleugel, staart en kruin zijn blauw, de wangen wit en de rug groengeel. De onderkant is geel. Het is een vrij kleine vogel die al vroeg in het voorjaar heldere, vrolijke liedjes zingt. Het meest gehoord is een liedje dat soms wordt beschreven als een 'zilveren lachje', een hoog repeterend 'sisi' gevolgd door een wat lagere roller.

Pimpelmezen broeden in holtes en nissen zoals boomholtes, een spleet in een boom of muur en dergelijk. Ze maken verder graag gebruik van nestkasten als broedplaats. Er wordt een nest gebouwd van gras, haar en wol. De 8-15 eieren worden door het vrouwtje bebroed. Omdat ze per dag een ei legt begint ze pas met broeden als het laatste eitje is gelegd. De jongen worden door beide ouders met rupsjes gevoerd.

Pimpelmezen eten vooral rupsjes, spinnetjes, bladluizen en andere kleine insecten, weinig vruchtjes, graan of zaden. In tuinen zijn ze vaak op voedertafels te vinden waar ze vetbollen en pinda's overigens niet versmaden. Dit vogeltje is ondere andere bekend van de manier waarop vaak voedsel wordt gezocht: bungelend aan een takje of pindasnoer.

Voorkomen

Pimpelmezen ontbreken vrijwel nergens in Nederland waar bomen staan en nieuw beschikbaar gebied wordt vlot gekoloniseerd. Zo was Zuidelijk Flevoland, drooggelegd rond 1970, nog geen kwart eeuw later volledig bezet. De landelijke aantallen nemen geleidelijk toe. Het ouder worden van bossen (meer nestgelegenheid) speelt hierbij een rol, net als verstedelijking (met in het kielzog groenvoorziening) in voorheen open gebied in West- en Noord-Nederland. Het aantal broedparen in Nederland neemt jaarlijks toe (grafiek rechts), in 1998-2000 zijn er 275.000-325.000 paren (bron: zie vogel.asp r398).

Het aantal broedparen per km² in Meijendel is min of meer conform de landelijke trend, hoewel de toename in aantal broedparen er de laatste tien jaar uit lijkt te zijn.

Vogelkenmerken

Kleine kleurrijke mees, foerageert op insecten en zaden in bomen.

Ecologische vogelgroepen: Bosvogels (Holenbroeders, Kleine Bonte Specht-groep, Loofboomvogels, Vogels van oud bos). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van open boomkronen of hogere boomlaag. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van bomen als leef-, nest- of foerageerplaats. Foerageren in individuele struiken en of lage houtige vegetatie.

Voedsel van volwassen vogels: Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden fruit en bessen zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Nest in gebouw, spleet, dakrand of kunstmatige constructie. Holte- of spleetbroeder in bomen; inclusief spechtenholen en natuurlijke boomholtes Hangend nest, meestal aan twijg of tak.

Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig.

Achtergrond

Wetens(w)aardig: Slimme Pimpels
Pimpelmezen zijn intelligente vogels die bij tests hebben bewezen dingen te kunnen leren. Bekend voorbeeld is het stukprikken van melkdoppen in de tijd dat de melk nog in flessen bij de voordeur stond. Ze hadden een voorkeur voor karnemelk en konden die middels de kleur van de dop vinden.

Ze blijken verder aromatische planten in hun nest aan te brengen zoals mint en lavendel. De planten blijken het aantal soorten bacteriën en het totaal aantal bacteriën op de jongen te reduceren, waardoor de jongen beter groeien. De jongen blijken ook meer rode bloedcellen te hebben. Het aantal rode bloedcellen is een bekende voorspeller van de kans op overleven na het uitvliegen. Hoe de planten de bacteriën doden is onbekend, ook is niet duidelijk waarom vogels een voorkeur hebben voor een bepaalde plant of hoe dit plantengebruik aangeleerd wordt.