Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Merel is een uitstekende zanger met een uitgebreid repertoire. Hij zingt vanaf een hoge zangpost (boomtop) vooral in de vroege ochtend en late avond. Met name als er jongen zijn is de luide, tetterende alarmroep veelvuldig te horen.
Merels broeden in allerlei landschappen en maken hun nesten in lage bomen, struiken en heggen. Die nesten zijn vaak makkelijk te vinden en lopen daardoor gevaar voor predatie. Het vrouwtje legt 4 tot 5 eieren, jaarlijks worden twee, soms drie broedsels grootgebracht. Beide ouders verzorgen de jongen tot 2 à 3 weken nadat ze zijn uitgevlogen.
Voorkomen
Het aantal vastgestelde territoria van de Merel in Meijendel vertoont, net als in geheel Nederland, een geleidelijk stijgende lijn.
Vogelkenmerken
Algemene bodemfoeragerende lijster van struweelrijke landschappen.
Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Winterkoning-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte.
Voedsel van volwassen vogels: Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Wormen als belangrijke voedselbron. Kevers en torren als belangrijke prooigroep. fruit en bessen grote insecten Slakken en kleine buikpotigen als voedselbron.
Voedsel voor jongen: Benthische, slik-, bodem- of waterfauna als voedsel voor jongen. Nestjongen gevoerd met grotere insecten en grotere ongewervelden. Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. Wormen en regenwormen als voedsel voor jongen. Kevers en torren als jongenvoedsel.
Nestplaats en nestbouw: Nest in struiken of struweelvegetatie. Open nest in open/lossere struikstructuur. Grondnest. Open grondnest.
Migratie: Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.