Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Een belangrijk kenmerk van deze onopvallende vogel is dat er nauwelijks opvallende kenmerken zijn… De bovenzijde is bruin, buik en borst zijn bruinachtig wit. Heel bekend is zijn wat krassende lied, waarin hij regelmatig zijn naam laat horen: 'karre-karre-kiet-kiet', soms afgewisseld met immitaties van andere soorten. Dán wordt het goed luisteren geblazen, want de uiterlijk zeer gelijkende Bosrietzanger doet iets dergelijks, maar is veel beter in het immiteren en doet dat veel uitbundiger. Het biotoop helpt dan ook bij het determineren: de Kleine Karekiet zit vooral in een rietbiotoop, daar hipt hij rusteloos langs de riestengels heen en weer. De Bosrietzanger kiest een iets drogere omgeving, met rijshout en wilgetenen of elzenbosjes in broeklanden.
Het vrouwtje KK bouwt een komvormig nest tussen de rietstengels. De 4-5 eieren worden door beide ouders bebroed en ze verzorgen samen de jongen. De Koekoek kiest nogal eens het nest van de Kleine Karekiet om haar ei in te leggen.
Een Kleine Karakiet voedt zich met insecten en hun larven, spinnetjes, soms vlierbessen.
Voorkomen
Deze vogel verschijnt als regelmatige broedgast voor het eerst in Meijendel in 1964, dat hangt waarschijnlijk samen met het voorkomen van riet. Tussen het midden van de jaren tachtig en negentig is de populatie stabiel op een hoogtepunt, maar vanaf 1995 daalt de populatie gestaag. Als mogelijke oorzaak wordt in het jaarverslag 2012 begrazing genoemd, waardoor rietbiotoop wordt aangestast. Evenzo zijn Grauwe Ganzen liefhebbers van opkomend riet en speelt de explosieve toename van die soort sinds 1996 een rol in het minder beschikbaar zijn van geschikt riet.
Vogelkenmerken
Algemene rietvogel van uiteenlopende rietkragen.
Ecologische vogelgroepen: Rietvogels (Roerdomp-groep, Waterrietvogels). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren zeer laag bij de grond of in dichte lage vegetatie. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag.
Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden voedsel adult/broedseizoen Spinnen als voedselbron.
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest in rietvegetatie. Geweven nest bevestigd tussen meerdere stengels of vegetatiestructuren.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Regelmatig tweede broedsel binnen één broedseizoen. Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast. Los gegroepeerd broeden of beperkte territoriale exclusiviteit; geen strikte kolonie.
Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen. Zomergast; aanwezig in broedseizoen en afwezig in winter.