Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De vogel houdt van open gebied met veel bossages en struwelen met rijke ondergroei zoals langs de rivieren of in landbouwgebied met hagen, houtwallen of bosranden met vegetatie langs de zomen. Soms is hij te vinden in tuinen en parken.
Het belangrijkste kenmerk van de Spotvogel is de zang. Die is energiek en luid, langerekt en gevarieerd, met heldere en valse tonen en lijkt wel wat op de Bosrietzanger. Een kenmerkend onderdeel is een geluid alsof met een natte vinger een streepje op een ballon wordt getrokken; sommigen vergelijken dat met het geluid van een plastic knijppopje. Aan de vele knappe imitaties die in zijn lied zijn verwerkt dankt de 'Spot'vogel zijn naam.
Hun nest maken Spotvogels het liefst hoog in een boom of struik in de vork van een tak. Het is een stevig komvormig nest van gras en mos, aan de buitenkant soms afgewerkt met berkenbast of papier. De 4-5 eieren worden door beide ouders bebroed en samen brengen ze de jongen groot. Ze hebben maar tijd voor één broedsel.
Voorkomen
De aantallen broedvogels lijken zich de laatste tien jaar wat te stabiliseren getuige de grafiek van Sovon.
In Meijendel wordt niet jaarlijks maar met enige regelmaat een territorium vastgesteld, soms een paar.
Vogelkenmerken
Struweelbroeder met kenmerkende gevarieerde zang.
Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep). Rode Lijst: RL: Gevoelig. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag.
Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden fruit en bessen Spinnen als voedselbron.
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest in struiken of struweelvegetatie.
Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.