Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Deze zomergast overwintert in Oostelijk Afrika tot in Namibië en Zambia. Hij komt pas vanaf eind april terug uit zijn overwinteringsgebied. Hij zoekt dan een middelhoog en ruig biotoop, liefst een combinatie van struiken, bomen en opgaande kruiden zoals brandnetels, wilgenroosje, kattenstaart en fluitekruid zodat hij zijn nest goed kan bevestigen. In tegenstelling tot de Kleine Karekiet is de Bosrietzanger alleen bij riet te vinden als dat op tamelijke droge grond staat.
Bosrietzangers bouwen een komvormig nest van gras en stengels dat met een soort hengsel aan stevige stengels van de kruidenvegetatie hangt. Er komen 3-6 eieren in te liggen die door beide ouders worden bebroed. Ze brengen de jongen samen groot. In de regel is er slechts één legsel. Deze soort wordt door de Koekoek geparasiteerd.
De Bosrietzanger heeft, zoals gezegd in tegenstelling tot de Kleine Karekiet, een voorkeur voor drogere biotopen. Maar dit zijn vaak delen die soms al in mei, en vooral in de zomer gemaaid worden. Omdat Bosrietzangers zo laat in het voorjaar broeden (de eerste vogels arriveren begin mei, maar tot eind juni kunnen ze zich nog vestigen) en omdat de nesten klein zijn en goed verborgen, gaan vaak veel nesten en jongen verloren.
De Bosrietzanger voedt zich met insecten en hun larven en met spinnetjes.
Voorkomen
In Meijendel is na een piek eind jaren tachtig het aantal territoria geleidelijk gedaald tot (gemiddeld) een paar dozijn.
Vogelkenmerken
Langeafstandstrekker; imiteert vele vogelgeluiden.
Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren zeer laag bij de grond of in dichte lage vegetatie. Sterke binding aan ruigte met brandnetels of vergelijkbare hoge kruidlaag. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking.
Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Spinnen als voedselbron.
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Nest in rietvegetatie. Geweven nest bevestigd tussen meerdere stengels of vegetatiestructuren.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Regelmatig tweede broedsel binnen één broedseizoen.
Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.