Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
In het zomerkleed heeft het mannetje een zwarte kop en keel met een witte halsband. Die zwarte kenmerken verdwijnen grotendeels in het najaar. Het vrouwtje heeft alleen een bruine wangvlek en is ietsje valer gekleurd. De bovendelen van beide zijn donkerbruin met lichte en donkere strepen, de onderzijde is vaalwit en licht gestreept. In de golvende vlucht zijn de witte buitenste staartveren opvallend. Het mannetje zingt vanaf een hooge zangpost bovenin een rietstengel of op een struik. Het is een aaneenrijging van wat piepende tonen met een rateltje aan het eind.
Het nest van de Rietgors wordt door het vrouwtje in een pol op de grond gebouwd. Het wordt van droog gras gemaakt en bekleed met haar. Ze legt er 3-5 eieren in die ze alleen uitbroedt. Als ze worden verrast of verstoord proberen ze de aandacht van het nest af te leiden door met halfuitgespreide vleugels over de grond weg te 'kruipen'. De jongen worden door beide ouders verzorgd. Meestal volgt een tweede legsel en soms een derde.
Rietgorzen zijn zaadeters, die vooral leven van de zaden van allerlei ruigte- en moeraskruiden.
De jongen krijgen ook insecten gevoerd.
Voorkomen
In drogere delen van het land laat de soort een sterke afname van het areaal zien. Zo is de Rietgors vrijwel volledig verdwenen van de Veluwe en uit Zuid-Limburg (bron: Vogelbescherming Nederland ).
Sinds de piek in 1996 neemt het aantal territoria van de Rietgors in Meijendel gestaag af; er is in 2017 nog geen 20% van over. Mogelijk is de verdwijning en verdunning van het rietbestand in enkele plassen in Meijendel van invloed. Daarbij speelt de introductie van groot vee dat in de plassen komt 'grazen' een rol, omdat dat een nadelig effect heeft op het rietbestand. Ook zijn Grauwe Ganzen liefhebbers van opkomend riet en speelt de explosieve toename van die soort tussen 1996 en 2010 een rol in het minder beschikbaar zijn van geschikt riet. Daarnaast is het infiltratiewater sinds eind jaren zeventig zuiverder geworden. Zuiverder betekent ook dat er minder 'voedingsstoffen' aanwezig zijn in water en bodem en daardoor minder rietgroei.
Vogelkenmerken
Riet- en ruigtesoort; winterse zaadeter, zomers meer insectivoor.
Ecologische vogelgroepen: Rietvogels (Rietzanger-groep, Waterrietvogels); Struweelvogels (Rietgors-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking. Gebruik van vaste uitkijkposten voor zang, jacht of bewaking. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag.
Voedsel van volwassen vogels: zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Grondnest verborgen onder vegetatiedekking. Nest gebouwd in graspol of lage dichte vegetatiepol.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Regelmatig tweede broedsel binnen één broedseizoen.
Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Korte- tot middellange-afstandstrekker Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen.