Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De IJsgors is een middelgrote gors. Man IJsgors in zomerkleed is fraai gekleed en gemakkelijk te herkennen aan de zwarte kop, keel en borst. Er loopt dan een geelwitte wenkbrauwstreep vanaf het oog naar de roodbruine nek en door naar beneden naar de flank. De buik is wit, de forse snavel is geel met een zwarte punt. Het vrouwtje heeft een minder opvallend kleed, met alleen donkere vlekken op kop en borst. In winterkleed is het mannetje minder opvallend getekend en lijkt dan op het mannetje van de Rietgors. Adulte IJsgorzen in winterkleed lijken ook op elkaar.
Het broedgebied van de IJsgors loopt vanaf Zuid-Noorwegen noordwaarts via Zweden en Finland tot en met Arctisch Rusland. Daar broedt hij in rotsachtige toendra op schaars begroeide grond met zegge, gras en heide. Het nest is komvormig en bestaat uit droog gras, bladeren en mos en is bekleed met haren en veren. Het bevindt zich op de kale grond, meestal in de buurt van vegetatie.
In de winter trekken de meeste IJsgorzen naar Zuid-Rusland en leven dan op steppen, omgeploegde akkers en moerassen aan de kust. Daar zijn ze meestal in groepen te vinden met andere gorzen, maar ook met Veldleeuwerikken. Het is in Nederland een schaarse soort die nog het meest aan de kust wordt gezien tijdens de najaarstrek vanaf half september; de piek ligt in oktober en de eerste helft van november. Er worden dan soms grote groepen van een paar honderd vogels gezien. Het aantal overwinteraars neemt langzaam af in de loop van de winter en van voorjaarstrek wordt weinig gemerkt (bron: Sovon ).
Er is deze eeuw tot en met 2017 één IJsgors geringd door leden van het Vogelringstation Meijendel.
Het broedgebied van de IJsgors loopt vanaf Zuid-Noorwegen noordwaarts via Zweden en Finland tot en met Arctisch Rusland. Daar broedt hij in rotsachtige toendra op schaars begroeide grond met zegge, gras en heide. Het nest is komvormig en bestaat uit droog gras, bladeren en mos en is bekleed met haren en veren. Het bevindt zich op de kale grond, meestal in de buurt van vegetatie.
In de winter trekken de meeste IJsgorzen naar Zuid-Rusland en leven dan op steppen, omgeploegde akkers en moerassen aan de kust. Daar zijn ze meestal in groepen te vinden met andere gorzen, maar ook met Veldleeuwerikken. Het is in Nederland een schaarse soort die nog het meest aan de kust wordt gezien tijdens de najaarstrek vanaf half september; de piek ligt in oktober en de eerste helft van november. Er worden dan soms grote groepen van een paar honderd vogels gezien. Het aantal overwinteraars neemt langzaam af in de loop van de winter en van voorjaarstrek wordt weinig gemerkt (bron: Sovon ).
Er is deze eeuw tot en met 2017 één IJsgors geringd door leden van het Vogelringstation Meijendel.