Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Geelgorzen komen voor in het grootste deel van Europa en in Midden-Azië. Het zijn standvogels van halfopen landschappen, zoals bosranden, heide met bosschage en agrarisch gebied met heggen, houtwallen en grazige wegbermen. Zijn eenvoudige lied is vaak langs landwegen te horen, meestal zingend vanaf een vaste zangpost in een boom of struik. Volgens sommige bronnen lijkt het lied op de eerste tonen van de vijfde symfonie van Beethoven…
Het komvormige nest wordt door het wijfje op de grond gebouwd, vaak tussen hoge kruiden en struweel. De 3 à 5 eieren worden door het vrouwtje bebroed, de jongen door beide ouders grootgebracht. In de broedtijd worden zaden èn kleine ongewervelden gegeten; buiten de broedtijd vormen zaden de hoofdmoot van het menu.
In de eerste decennia van de vorige eeuw was de Geelgors in het hele land een talrijke verschijning. Rond 1950 werd in het westen des lands de eerste melding gedaan van een afname. Deze trend zette zich in razend tempo door en rond 1980 was de soort in het westen vrijwel uitgestorven! De laatste paartjes kwamen voor in de duinen en in kleinschalig cultuurland. In het midden en oosten van het land verliep de afname wat gelijdelijker, maar ook hier heeft de soort veel terrein verloren. Tegenwoordig komen Geelgorzen vrijwel uitsluitend nog in het oosten van het land voor.
Voorkomen
Ondanks het sombere landelijke beeld neemt de Geelgors recent (sterk) toe in het noordoosten van het land (bron: zie vogel.asp r398).
Vogelkenmerken
Territoriale gors van halfopen akkerland en heideterreinen.
Ecologische vogelgroepen: Bosrandvogels (Bosrandstruweelvogels, Geelgors-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van overgangszones tussen open terrein en struik- of bosrand. Scharrelend of krabbend voedsel zoeken op de bodem. Zaden zoeken op open bodem of korte vegetatie.
Voedsel van volwassen vogels: zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. Rupsen als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Grondnest verborgen onder vegetatiedekking. Nest in struiken of struweelvegetatie. Nest vooral opgebouwd uit stro, gras of droge halmen.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Contactroepen zijn belangrijker dan zang voor detectie of familiecontact. Langdurige zangactiviteit midden op de dag.
Migratie: Standvogel of jaarrond aanwezig.
Bescherming
Het behoud van kleinschaligheid in het agrarisch gebied en waar mogelijk het herstel van heggen en houtwallen met een dichte laag struiken, een goed ontwikkelde kruidlaag en kruidenrijke zomen kan de soort kansen bieden. 's Winters -tot in het voorjaar- dienen voldoende kruidenrijke overhoekjes en stoppelakkers (graankorrels!) aanwezig te zijn voor de winteroverleving (bron: Vogelbescherming Nederland ).