Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Roodborsttapuiten broeden in ruig en open, schaars begroeid landschap, vaak met struiken en/of heide, of, zoals in Meijendel, met duindoorns. Vanaf Maart wordt de man op zijn zangpost bovenop een struik of klein boompje gezien. Zijn liedje lijkt wel wat op dat van een Heggenmus, maar is veel zachter en korter. De Engelse naam 'Stonechat' heeft deze soort te danken aan de roep die lijkt alsof er twee stenen op elkaar worden geslagen. Ze eten voornamelijk insecten en larven, maar ook wel wormen, zaden of bessen.
Het vrouwtje maakt het nest op de grond of vlak erboven. Het is meestal een stevige kom van gras en mos en bekleed met zachter materiaal. Daar komen 5-6 eieren in te liggen die zij alleen uitbroedt. De jongen worden door beide ouders grootgebracht.
Voorkomen
Het aantal territoria in Meijendel vertoont deze eeuw een wisseld verloop en volgt niet geheel de landelijke ontwikkeling van voortdurend stijgende aantallen. Van 2005-2010 is een forse terugval te zien. De laatste paar jaar is weer een stijgende lijn te constateren.
Vogelkenmerken
Soort van ruige halfopen landschappen met zangposten op struiken/palen.
Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep, Roodborsttapuit-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Gebruik van halfopen heide met gras, open zand en lage vegetatie. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van lage uitkijkposten voor zang of jacht. Gebruik van lage, dichte struikvegetatie. Jagen vanaf vaste uitkijkposten zoals paaltjes, struiken of stenen. Sterke binding aan zeereep, helmduinen of eerste duinenrij. Gebruik van vaste uitkijkposten voor zang, jacht of bewaking.
Voedsel van volwassen vogels: voedsel adult/broedseizoen kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden langpootmuggen Kevers en torren als belangrijke prooigroep. Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. Rupsen als belangrijke voedselbron. fruit en bessen grote insecten zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen Slakken en kleine buikpotigen als voedselbron. Spinnen als voedselbron.
Voedsel voor jongen: Nestjongen gevoerd met grotere insecten en grotere ongewervelden. Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. Kevers en torren als jongenvoedsel.
Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Grondnest verborgen onder vegetatiedekking. Nest in ruigtevegetatie.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Langdurig optrekken in familiegroepen na uitvliegen. Meerdere broedsels per jaar. Langdurige zorg na het uitvliegen. Na jachtvlucht terugkeren naar dezelfde uitkijkpost.
Migratie: Standvogel of jaarrond aanwezig. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen.