Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Blauwborsten houden van vochtig, moerasachtig terrein met struikachtige begroeiing en bomen. Daar scharrelen ze, meest op de grond en niet zo goed zichtbaar, hun kostje bij elkaar. In de broedtijd laat mannetje Blauwborst zich meer zien en zijn zang horen, vaak beginnend met metaalachtige tonen, geleidelijk versnellend en overgaand in een vloed van klanken. Vaak klimt hij al zingend omhoog om zijn lied met gespreide staart en vleugels naar beneden glijdend te beëindigen.
Het nest van gras en bladeren wordt goed verborgen op de grond. De 5-6 eieren worden hoofdzakelijk door het vrouwtje bebroed, beide ouders voeren de jongen. De Blauwborst voedt zich met insecten, larven, spinnen en slakjes.
Het broedareaal van de Blauwborst ligt grotendeels oost van ons land, in Noorwegen en Noord- Fennoscandië en dan van Polen, de Baltische Staten en Oekraine oostwaarts, tot diep in Azië. In Midden-Europa broedt de soort ook, maar daar is het areaal meer versnipperd. Blauwborsten zijn trekvogels die over een breed front naar het zuiden trekken om te overwinteren. Nederlandse broedvogels overwinteren in Zuidwest-Europa en West-Afrika.
Deze soort kent een tiental ondersoorten. De 'onze' is Luscinia svecica cyanecula. Noord van Nederland komt de nominaatvorm voor L. s. svecica met een roestbruine i.p.v. witte ster foto van Gerrit Kiekebos - www.natuurlijkgevat.nl. Tijdens de trek wordt ook die vorm wel in Nederland waargenomen.
Voorkomen
De soort nam in de twintigste eeuw af door ontginning en ontwatering van vele broedplaatsen. Sinds ongeveer 1970 nam de stand spectaculair toe. Nieuw ontstane broedbiotoop in de Oostvaardersplassen, de Biesbosch, het Lauwersmeer en verbossende laagveenmoerassen werd massaal gekoloniseerd. Tegelijkertijd breidde de soort zich uit vanuit verspreidingskernen elders in het land. De toename houdt nog steeds aan (bron: Sovon).
Het aantal Blauwborsten in het duin is sinds de jaren '60 geleidelijk toegenomen. Na deze stijging is vanaf het jaar 2000 het aantal broedgevallen in Meijendel licht flucturend met een behoorlijke dip na 2009. Vanaf 2015 is evenwel sprake van herstel en een sterke toename van het aantal territoria. Zie de grafiek en de (liggende) tabel hierboven voor de details.
Vogelkenmerken
Moerasrandsoort met open bodemstructuur, zangvluchten en insectivoor dieet.
Ecologische vogelgroepen: Rietvogels (Blauwborst-groep); Struweelvogels (Rietgors-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn
Functionele habitat en foerageerwijze: Lopend of sluipend bewegen door lage vegetatie op grondniveau. Gebruik van vochtige overgangszones met struiken, riet of lage opslag. Foerageren op vochtige bodem of natte modderranden. Gebruik van open terrein zonder gesloten boom- of struiklaag. Afhankelijkheid van open bodemstructuur voor foerageren. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking. Zingen vanaf struikopslag of ruigtevegetatie. Gebruik van schelprijk kustsubstraat. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Zingen vanuit toppen van struiken of lage bomen. Gebruik van vaste uitkijkposten voor zang, jacht of bewaking.
Voedsel van volwassen vogels: Kevers en torren als belangrijke prooigroep. Rupsen als belangrijke voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Grotere vliegende insecten als voedselbron. grote insecten Insectenlarven. Slakken en kleine buikpotigen als voedselbron. Wormen als belangrijke voedselbron.
Voedsel voor jongen: Kevers en torren als jongenvoedsel. Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. jongenvoedsel Rupsen als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Grondnest verborgen onder vegetatiedekking. Nest in rietvegetatie. Nest in ruigtevegetatie.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Zang of activiteit vooral rond zonsopkomst en zonsondergang. Tweede zangpiek door vervolglegsel of tweede broedfase. Imitatiegedrag of nabootsen van andere vogelgeluiden. Nachtelijke zangactiviteit. Regelmatig tweede broedsel binnen één broedseizoen. Opvallend staartsignaal of staartflits tijdens vlucht.
Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen. Zomergast; aanwezig in broedseizoen en afwezig in winter.