Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Bij gevaar vliegt de vogel met tegenzin soms over korte afstanden weg, waarbij hij wat fladdert en de poten laat hangen. Maar hij zoekt toch het liefst de beschutting van het riet op. Bij het lopen wipt de Waterral soms zijn staart waarbij witte veren aan de onderkant zichtbaar worden. Hij houdt bij het lopen de snavel meestal naar de grond gericht. De vogels laten zich dan weliswaar niet vaak zien, maar maken hun aanwezigheid geregeld duidelijk door een kenmerkend, gillend geluid (mager speenvarken), dat een aantal keer steeds zwakker herhaald wordt.
Het nest van dode rietstengels wordt door beide ouders gebouwd in dicht riet, meestal vlak boven het water. De 6-11 eieren worden door beide ouders bebroed en ze verzorgen de jongen samen.
In de winter wordt de Nederlandse populatie uitgebreid met overwinterende exemplaren uit Oost-Europa. Alleen bij strenge vorst trekken de meeste vogels verder naar het zuiden. De waterrallen die in Nederland achterblijven zijn in deze perioden wel vaker te zien, omdat de vogels gedwongen worden om groter water op te zoeken dat nog niet dichtgevroren is.
Voorkomen
Strenge winters doen ook in Meijendel de stand van de Waterral geen goed. In de grafiek boven zijn de bij Sovon genoemde koude winters eenvoudig terug te vinden. Zie overigens ook de grafiek van de Winterkoning, een standvogel die een vergelijkbaar verloop laat zien.
Vogelkenmerken
Schuwe ral van natte rietmoerassen, slikkige open plekken en dichte oevervegetatie.
Ecologische vogelgroepen: Rietvogels (Rietzanger-groep, Waterrietvogels). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren langs de randzone van open water en oevervegetatie. Foerageren zeer laag bij de grond of in dichte lage vegetatie. Foerageren op slikranden, modderige ondieptes of opdrogende moerasplekken. Foerageren langs slik-, modder- of slibranden. Gebruik van dichte moerasdekking met smalle open doorgangen. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking. Gebruik van rietranden, lisdoddekragen of dichte oevervegetatie. Gebruik van open water, plassen of watergangen.
Voedsel van volwassen vogels: Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. Aas en kadavers. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Slakken en kleine buikpotigen als voedselbron. Wormen als belangrijke voedselbron. kikkers, kikkervisjes en andere amfibieën Vis als voedsel voor volwassen vogels. plantaardig materiaal, waterplanten, gras, knoppen of blad Kleine zoogdieren als dominante of belangrijke prooigroep. Rietzaad, lisdoddezaad of vergelijkbare moerasplantenzaden als voedselbron.
Voedsel voor jongen: Benthische, slik-, bodem- of waterfauna als voedsel voor jongen. Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. Wormen en regenwormen als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Drijvend nest of nest op watervegetatie. Grondnest. Nest op de grond in moerasvegetatie. Nest in rietvegetatie.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Zang of activiteit vooral rond zonsopkomst en zonsondergang. Verborgen foerageergedrag in dichte dekking. Nachtelijke roepactiviteit. Territoriale tikkende roep.
Migratie: Standvogel of jaarrond aanwezig. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen.