Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Het Waterhoen is een schuwe vogelsoort die zich meestal dicht bij de beschutting van de oeverbegroeiing ophoudt. Het vliegen gaat moeizaam, net als bij de andere ralachtigen. Deze vogel zal bij alarm niet gauw op de wieken gaan, doet hij dat wel dan volgt na een aanloop over het water eerst een vliegfase met bungelende poten. Eenmaal op snelheid gaat het hem beter af en steken de poten tot ruim voorbij de staart naar achter. Maar liever zal deze vogel de oevervegetatie in vluchten. Enkele bronnen spreken van een opmerkelijke vlucht naar onder het wateroppervlak, waarbij het hoen zich diep laat zinken tot alleen de snavel nog net als een periscoop boven water uit steekt.
Het nest van het Waterhoen wordt bij voorkeur vlakbij het open water in de dichte overbegroeiing gebouwd; het is niet veel meer dan een stapel verdroogd plantaardig materiaal. Daar worden 5 à 10 eieren op gelegd. Het is niet ongebruikelijk dat twee of soms zelfs drie of vier vrouwtjes de eieren in hetzelfde nest leggen. Vrouwtje(s) èn mannetje(s) bebroeden deze eieren en voeren de jongen, soms helpen broers en zussen uit een eerder legsel daarbij.
Waterhoenders zijn omnivoren die zowel in de waterkant als op het land foerageren. Het plantaardige voedsel bestaat uit kroos, zaden en bessen. Dierlijk voedsel is onder meer wormen en slakken, insecten en visjes.
Voorkomen
In Meijendel vertoont het aantal broedparen sinds de jaren '90 een duidelijk dalende trend die vanaf 2011 wat lijkt te af te vlakken.
Vogelkenmerken
Algemene randmoeras- en oevervegetatiesoort; omnivoor met drijvende of oevernesten.
Ecologische vogelgroepen: Watervogels; Rietvogels (Porseleinhoen-groep, Waterrietvogels). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: Oranje Lijst. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren langs de randzone van open water en oevervegetatie. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Foerageren op slikranden, modderige ondieptes of opdrogende moerasplekken. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking. Gebruik van schelprijk kustsubstraat. Gebruik van open water, plassen of watergangen.
Voedsel van volwassen vogels: Gras en terrestrische vegetatie. plantaardig materiaal, waterplanten, gras, knoppen of blad Breed opportunistisch omnivoor dieet; vooral relevant bij kraaiachtigen wanneer geen enkele voedselgroep dominant is. Ondergedoken waterplanten als primaire voedselbron. kikkers, kikkervisjes en andere amfibieën Eieren van andere vogels. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden kikkers, jonge vogels, kleine gewervelden en andere grotere prooien Rietzaad, lisdoddezaad of vergelijkbare moerasplantenzaden als voedselbron. Slakken en kleine buikpotigen als voedselbron. Spinnen als voedselbron. Wormen als belangrijke voedselbron.
Voedsel voor jongen: kuikens/nestvlieders: waterplanten en plantendelen Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. Wormen en regenwormen als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Drijvend nest of nest op watervegetatie. Nest in rietvegetatie.
Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen.