Terug naar soorten

Winterkoning

Troglodytes troglodytes Winterkoningen

Broedvogel
68jaren
15498territoria
526hoogste jaar

1958 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Winterkoning
Winterkoning Foto: Alexis Lours · CC BY 4.0 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Winterkoning is de op één na kleinste broedvogel van Nederland. Alleen de (Vuur)goudhaan is ietsje kleiner. De Winterkoning is een standvogel en talrijke broedvogel in het hele land. In de winter trekken noordelijke soortgenoten door of blijven bij ons overwinteren.

Het is één van de bekendste vogels in ons land, roodbruin van kleur met een lichte wenkbrauwstreep. Hij is bekend van de korte, licht gebandeerde en vrolijk opgewipte staart. Als je dit vogeltje zijn uitbundige lied hoort zingen sta je versteld van het geluid dat wordt geproduceerd! Vrijwel het hele jaar door is dit te horen, maar vooral in het voorjaar. Die zang bestaat uit drie delen, eerst wat noten met een triller, dan een roller en tot slot nog enkele volle noten (beluister onder aan deze pagina).

Deze vogel bevindt zich meestal laag in het struikgewas of andere begroeiing en is voortdurend in beweging. De lage, snorrende vlucht is opvallend snel. Deze kleine vogeltjes zijn erg gevoelig voor koude winters. In de koude nachten kruipen ze in groepen dicht tegen elkaar om warm te blijven. Toch moet de Winterkoning in strenge winters zware klappen incasseren (zie grafiek en tweede katern).

Een mannetje maakt verscheidene nesten. Het is een kogelvormig bouwsel van gras, bladeren en mos, met een opening aan de zijkant. Het wordt bij voorkeur in dichte ondergroei of een stapel hout verborgen. In het broedseizoen bouwt het mannetje er enkele waarvan het vrouwtje er één uitkiest. Dat bekleedt zij dan met dons en veertjes en legt er 5-8 eieren in. Zij bebroedt het legsel in haar eentje, beide ouders verzorgen de jongen. Meestal zijn er jaarlijks twee broedsels. Als het vrouwtje op de eieren zit, probeert het mannetje een ander vrouwtje te lokken in een van de andere nesten (Vogelbescherming Nederland).

Een Winterkoning voedt zich voornamelijk met kleine insecten en larven, spinnetjes en ook zaadjes.

Voorkomen

Het aantal Winterkoningen in Nederland kent pieken en dalen, maar vertoont gemiddeld genomen een lichte toename. Anno 2000 broedden bij ons ongeveer 500.000 tot 600.000. Dat maakt de Winterkoning tot een van de talrijkste broedvogels van ons land.

De Winterkoning is als standvogel gevoelig voor koude winters, vooral ook voor sneeuwval. De landelijke stand wordt soms bijna gehalveerd door zulke winters maar herstelt hiervan binnen enkele jaren (bron: zie vogel.asp r398). In de grafiek rechts is goed te zien wat het effect van de strenge winter van 1995/1996 had op de stand van deze vogel. Zie ook de grafiek van de Waterral die een vergelijkbaar verloop laat zien.

Het effect van de strenge winters op het broedbestand van de Winterkoning in Meijdendel volgt de landelijke trend.

Vogelkenmerken

Klein luidruchtig zangvogeltje, leeft verborgen in dicht struikgewas.

Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Winterkoning-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Foerageren in individuele struiken en of lage houtige vegetatie.

Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Slakken en kleine buikpotigen als voedselbron. Spinnen als voedselbron.

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Holte- of spleetbroeder in bomen; inclusief spechtenholen en natuurlijke boomholtes

Migratie: Standvogel of jaarrond aanwezig. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen. Trekkend gedrag algemeen. Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg.