Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
De Grote Bonte Specht is goed herkenbaar aan zijn formaat en rode verenpartijen, de meest opvallende zijn de anaalstreek en bij het mannetje de rode pet. In het voorjaar laat deze specht van zijn aanwezigheid blijken middels de kenmerkende roffel tegen een resonerende dode tak (hieronder te beluisteren). Zowel mannetje als vrouwtje 'drummen' er dan lustig op los om het territorium te duiden en de paarband te versterken. Echt zingen doen ze verder niet, onderling contact wordt onderhouden met korte scherpe roepjes: "klick, klick" of "kli-klick". De vlucht is een typisch golvende spechtenvlucht waarbij de witte schoudervlekken goed opvallen.
Ze beitelen zelf hun nest uit in bomen van bij voorkeur zacht hout. Het wordt verder niet bekleed anders dan met wat houtspaanders. De 4-7 eieren worden voornamelijk door het vrouwtje bebroed, beide ouders voeren de jongen.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit larven en insecten die onder boombast worden gevonden. In de winter wordt het dieet aangevuld met (denne)zaden en noten. Deze worden in spleten vastgeklemd en opengehakt. Vaak gebruiken ze daarvoor dezelfde boom, de smidse, en daaronder is de grond vaak bezaaid met voedselresten. Hoe waakzaam ze ook zijn, ze schuwen 's winters een bezoek aan een voedertafel niet.
Voorkomen
De trend van broedparen in Meijendel volgt globaal de landelijke.
Vogelkenmerken
Algemene specht, hakt boomholten en zoekt insecten in schors.
Ecologische vogelgroepen: Bosvogels (Grote Bonte Specht-groep, Holenbroeders, Vogels van oud bos). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van open boomkronen of hogere boomlaag. Gebruik van kegels van naaldbomen als voedselbron. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Gebruik van een vaste smidse om harde prooien of zaden te openen.
Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden zaden van grassen, zeggen, waterplanten en landbouwgewassen Grote zaden, noten en eikels.
Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest in natuurlijke boomholte of holle stam. Holte- of spleetbroeder in bomen; inclusief spechtenholen en natuurlijke boomholtes Open nest in bomen, kroon of takstructuur
Gedrag, ecologie en levenswijze: Duetroep of duetgedrag tussen partners.
Migratie: Standvogel of jaarrond aanwezig. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen.