Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Struikgewas, grasvelden, open plekken in bossen en op paden, dat is waar zanglijsters hun voedsel zoeken. Hij heeft een voorkeur voor wormen en slakken. Een typische zanglijstereigenschap is het stukslaan van slakkenhuizen op een vaste plek, een 'smidse', om zo bij het malse slakkenvlees te komen. Behalve slakken eten zanglijsters ook grote hoeveelheden insecten, duizendpoten en pissebedden, in najaar en winter ook bessen en fruit.
Het nest wordt verscholen in een dichte struik of in een boom gebouwd van twijgjes en stro, hoe onopvallender hoe liever het de Zanglijster is. Dichte vochtige bossen, zoals rabattenbossen en elzenhakhoutpercelen, zijn favoriet. Het komvormige nest wordt van binnen met modder glad afgewerkt. De 3-5 jongen worden door beide ouders grootgebracht. Bossen op droge zandgronden huisvesten veel minder zanglijsters, waarschijnlijk speelt kalkgebrek door verzuring van de bossen hier, net als bij mezen, een grote rol.
Voorkomen
Vogelkenmerken
Slakkenspecialist met gebruik van vaste smidsen.
Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Winterkoning-groep, Zwartkop-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Gebruik van dode boomtoppen of dode takken als zang- of uitkijkpost. Gebruik van de grondlaag als broed- of foerageerzone. Gebruik van een vaste smidse om harde prooien of zaden te openen. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte.
Voedsel van volwassen vogels: Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Slakken en kleine buikpotigen als voedselbron. Wormen als belangrijke voedselbron. Kevers en torren als belangrijke prooigroep. fruit en bessen grote insecten
Voedsel voor jongen: Benthische, slik-, bodem- of waterfauna als voedsel voor jongen. Nestjongen gevoerd met grotere insecten en grotere ongewervelden. Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. Wormen en regenwormen als voedsel voor jongen. Kevers en torren als jongenvoedsel.
Nestplaats en nestbouw: Nest met modderbekleding aan de binnenzijde. Nest in struiken of struweelvegetatie. Open nest in open/lossere struikstructuur. Open nest in bomen, kroon of takstructuur
Gedrag, ecologie en levenswijze: Zang of activiteit vooral rond zonsopkomst en zonsondergang.
Migratie: Gedeeltelijke trek; deel van populatie blijft, deel trekt weg. Standvogel of jaarrond aanwezig. Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.