Terug naar soorten

Fitis

Phylloscopus trochilus Boszangers

Broedvogel
68jaren
56358territoria
1826hoogste jaar

1958 t/m 2025 · bron: Meijendel-database

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Fitis
Fitis Foto: Andreas Trepte · CC BY-SA 2.5 Bron: Wikimedia Commons

Beschrijving

De Fitis is in Noordwest- en Noord-Europa een zeer algemene zomergast en wordt daarom soms ook 'het zomervogeltje' genoemd door mensen die de soort wel kennen maar niet de officiële naam weten. 's Winters is de Fitis in zuidelijk Afrika en eind maart komt hij weer bij ons terug, geregeld op hetzelfde plekje waar ze het jaar daarvoor nestelden of uit het ei kwamen. Dit is ontdekt door het ringen van deze vogels. In Meijendel zijn de fitissen een jaar nadat ze geringd werden zelfs bij precies hetzelfde bosje teruggevonden. Over plaatstrouw gesproken!

De Fitis en de Tjiftjaf lijken veel op elkaar. De Fitis heeft t.o.v. de Tjiftjaf wat lichtere poten en een duidelijker wenkbrauwstreep. Ze worden het best op zang onderscheiden. De Fitis zingt een weemoedige reeks van dalende tonen, de Tjiftjaf daarentegen lijkt schel enkele malen zijn eigen naam te roepen.

Voorkomen

De hoogste dichtheid aan Fitissen is te vinden in de duinen, heidevelden en hoogveengebieden met opslag en jonge bosaanplant. In open boerenland en in stedelijk gebied is de soort schaars. De landelijke verspreiding is al enkele decennia ongewijzigd. De landelijke aantallen nemen echter af. Dit heeft deels van doen met veranderingen in het beheer van bossen en natuurgebieden. Droogte in de West-Afrikaanse overwinteringsgebieden heeft ook effect op de overleving (bron: zie vogel.asp r398).

De Fitis komt in grote aantallen in Meijendel voor en al neemt het aantal territoria geleidelijk aan af, hij staat steevast in de 'Top 10' van meest succesvolle broedvogels van Meijendel.

Vogelkenmerken

Zomergast van jonge opslag, wilgenstruweel en lage vegetatie; insectivoor met dalende zang en verborgen grondnest.

Ecologische vogelgroepen: Struweelvogels (Grasmus-groep, Roodborsttapuit-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen

Functionele habitat en foerageerwijze: Zang met duidelijk dalende of aflopende frasering. Gebruik van lage vegetatie of lage foerageerhoogte. Foerageren laag in struiken, kruidlaag of ondergroei. Foerageren in dicht struweelcomplex/dichte struiklaag. Kenmerkende tweetonige contactroep. Gebruik van wilgenstruweel of jonge wilgenopslag. Gebruik van jonge successiestadia van bos en opslag. Territoriale zangvlucht als opvallend gedragselement.

Voedsel van volwassen vogels: kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden kleine spinnen Spinnen als voedselbron.

Voedsel voor jongen: Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen. Zachte geleedpotigen als voedsel voor jongen.

Nestplaats en nestbouw: Overkoepeld grasnest op of laag bij de grond. Grondnest. Nest in mos- of strooisellaag op de grond.

Gedrag, ecologie en levenswijze: Herhaald voedseltransport naar een verborgen nestlocatie. Opvallend lange handpenprojectie. Zang vanaf lage struiken of lage zangposten. Opvallend transport van nestmateriaal. Zang vertraagt, verzwakt of daalt naar het einde. Tweetonige contactroep. Opvallende gele mondhoek bij juvenielen.

Migratie: Overwintering of trek naar Afrika. Langeafstandstrek. Trekkend gedrag algemeen.