Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Het is een vrij kleine zanger, iets groter dan de Fitis. Hij heeft een kenmerkende spierwitte buik, mosgroene bovendelen en citroengele borst en keel. Ook heeft de Fluiter erg lange vleugels.
Deze niet zo opvallende vogel heeft een voorkeur voor bosrijke gebieden op zandgronden zoals oude loofbossen (beuk) met gesloten bladerdek, maar ook grote parken en tuinen, meestal met weinig ondergroei. Hij zingt hoofdzakelijk na aankomst in mei en vooral dan is de Fluiter goed te spotten. Zijn meest gehoorde zang is een reeks van versnellende metaalachtig klinkende noten die ongeveer vier seconden aanhoudt en wel wordt vergeleken met een stuiterende knikker op een metalen plaat. Dit wordt afgewisseld met een tweede type zang, een stuk of vijf weemoedig klinkende, iets dalende fluittonen. De zang wordt meestal hoog in de bomen ten gehore gebracht.
Het vrouwtje bouwt een koepelvormig nest van gras en bladeren in een natuurlijke holte en bekleedt dit met fijn gras of haar. Ze legt 5-7 eieren die ze alleen uitbroedt. Beide ouders verzorgen de jongen. Het voedsel bestaat uit insecten, vooral rupsen, kevers, muggen en bladluizen. In het najaar worden bessen aan het dieet toegevoegd.
Voorkomen
De Fluiter komt in Meijendel niet jaarlijks en dan slechts in geringe aantallen tot broeden (zie grafiek en tabel boven).
Vogelkenmerken
Slanke boszanger, broedt in oude loofbossen met open ondergroei.
Ecologische vogelgroepen: Bosvogels (Appelvink-groep, Loofboomvogels, Vogels van oud bos). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: geen
Functionele habitat en foerageerwijze: Foerageren hoog in de boomkroon.
Voedsel van volwassen vogels: bladluizen kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Spinnen als voedselbron.
Nestplaats en nestbouw: Grondnest. Laag komvormig nest op de grond.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Zeer sterke habitatspecialisatie. Sterke stilval na de zangperiode in de zomer.