Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Het Smelleken is de kleinste roofvogel van Europa met een relatief lange staart, brede vleugelbasis en niet al te spitse vleugelpunten. Het mannetje is blauwgrijs van boven met een zwarte band op de staart. De borst is oranje-bruin gevlekt (foto). Het vrouwtje en jonge vogels zijn bruin van boven en bruin gevlekt van onderen. Zoals bij meer roofvogels is het vrouwtje beduidend groter dan het mannetje. Deze vogel bidt niet zoals de Torenvalk maar vliegt vaak laag en hard en in een rechte lijn. Het Smelleken zit ook graag op de grond.
Dit is een noordelijke soort die voor komt van IJsland en Scandinavië (incl. Finland), via twee noordelijke Baltische Staten in een brede gordel over Rusland verder naar het oosten. Het Smelleken broedt daar op toendra's, hoogvlakten met heide en in de halfopen taiga. Ze bouwen niet zelf een nest maar gebruiken goed verborgen, verlaten nesten van een kraaiachtige of Havik, in de regel in een den of spar. Zelf maken ze ook wel eens een grondnest, verborgen in een heideveld. Meestel is een legsel 6 eieren groot, afhankelijk van het voedselaanbod overleven slechts 1 á 3 jonge vogels.
Smellekens zijn trekvogels die naar warmere streken trekken om te overwinteren. Vogels van Scandinavische origine passeren ons land tijdens de trek of overwinteren hier. De najaarstrek speelt zich hoofdzakelijk af tussen half september en eind oktober. In die tijd zijn trekkers door het hele land te zien. De enkele honderden overwinteraars zoeken vooral open gebieden in West- en Noord-Nederland op, waar ze jagen op zangvogels. De voorjaarstrek -met name langs de kust- loopt van half maart tot eind mei, met enkelingen nog in juni (bron: Sovon ).
Dit is een noordelijke soort die voor komt van IJsland en Scandinavië (incl. Finland), via twee noordelijke Baltische Staten in een brede gordel over Rusland verder naar het oosten. Het Smelleken broedt daar op toendra's, hoogvlakten met heide en in de halfopen taiga. Ze bouwen niet zelf een nest maar gebruiken goed verborgen, verlaten nesten van een kraaiachtige of Havik, in de regel in een den of spar. Zelf maken ze ook wel eens een grondnest, verborgen in een heideveld. Meestel is een legsel 6 eieren groot, afhankelijk van het voedselaanbod overleven slechts 1 á 3 jonge vogels.
Smellekens zijn trekvogels die naar warmere streken trekken om te overwinteren. Vogels van Scandinavische origine passeren ons land tijdens de trek of overwinteren hier. De najaarstrek speelt zich hoofdzakelijk af tussen half september en eind oktober. In die tijd zijn trekkers door het hele land te zien. De enkele honderden overwinteraars zoeken vooral open gebieden in West- en Noord-Nederland op, waar ze jagen op zangvogels. De voorjaarstrek -met name langs de kust- loopt van half maart tot eind mei, met enkelingen nog in juni (bron: Sovon ).