Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Deze soort is iets groter dan zijn neef de Dodaars maar kleiner dan de Fuut. De Geoorde Fuut is in broedkleed eenvoudig te herkennen aan de zwarte hals (zie de niet-nederlandse namen) en de fraaie, goudgeel gekleurde pluimen (de 'oren') die vanachter de ogen uitwaaieren. Een ander opvallend kenmerk is de iets naar boven opwippende, blauwgrijze snavel. Het zwart wordt grijsachtig en de pluim ontbreekt buiten de broedtijd.
Tijdens de balts laat ook deze fuutachtige een fraaie dans zien met opstaan en kopschudden. De Geoorde Fuut broedt vaak in kleine kolonies op ondiepe, vegetatierijke plassen. Het nest bestaat uit een stapel waterplanten. Het wordt gezamenlijk gebouwd en erin worden zo'n 3-4 eieren gelegd die door beide ouders worden uitgebroed. Samen verzorgen zij de jongen die, net als bij de grote neef, soms meeliften op de rug van een ouder.
Hij kan goed duiken en eet zeker visjes, maar de voorkeur gaat uit naar waterinsecten en larven die aan de oppervlakte worden gevangen.
In ons land overwinteren heel wat fuutachtigen en duikers die in winterkleed soms lastig uit elkaar te houden zijn. In een artikel op Vogelbescherming Nederland worden de belangrijkste verschillen verduidelijkt.
Voorkomen
Het aantal broedparen in Meijendel kan de landelijke tend niet volgen. Integendeel, van de 30 territoria in 1992 is er sinds 2017 nog slechts een enkel broedgeval en dat niet jaarlijks.
Vogelkenmerken
Insectivore fuut van voedselarme vennen en pioniermoerassen.
Ecologische vogelgroepen: Watervogels (Dodaars-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn
Functionele habitat en foerageerwijze: Voedsel zoeken door onder water te duiken. Gebruik van kleine duinmeren, duinplassen of infiltratieplassen. Voorkeur voor visarme wateren, met minder voedselconcurrentie voor waterinsecten. Broeden of verblijven in associatie met meeuwenkolonies. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking. Gebruik van ondiep, voedselarm hoogveen- of veenplaswater. Gebruik van open water, plassen of watergangen. Foerageren op slikranden, modderige ondieptes of opdrogende moerasplekken.
Voedsel van volwassen vogels: Waterinsecten en aquatische insectenlarven. Kreeftachtigen en andere kleine schaaldieren. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Insectenlarven.
Voedsel voor jongen: Waterinsecten en larven als voedsel voor jongen. Benthische, slik-, bodem- of waterfauna als voedsel voor jongen. jongenvoedsel Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Nest in kolonies of dicht bij soortgenoten. Drijvend nest of nest op watervegetatie. Open zichtbaar drijfnest zonder dichte oevervegetatie. Nest in rietvegetatie. Drijfnest in of tussen rietvegetatie.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Jongen rijden mee op de rug van oudervogels. Kolonie- of losse koloniestrategie. 1 = sterk koloniaal; 2 = los of semi-koloniaal indien toegepast. Groepsbalts binnen een kolonie. Los gegroepeerd broeden of beperkte territoriale exclusiviteit; geen strikte kolonie.
Migratie: Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen. Trekkend gedrag algemeen.