Dichtheid per km2
Territoria per km²Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Iets kleiner dan het waterhoen valt het donsachtige achterlijf op. Ook de ronde kop op een korte nek zijn kenmerkend. In het zomerkleed heeft de Dodaars een kastanjebruin gekleurde kop en opvallende groengele mondhoeken, borst en flanken zijn donkerbruin. Het winterkleed is minder uitbundig van kleur en de gekleurde mondhoeken verdwijnen. Hij is goed te herkennen aan zijn hoge en luide, wat hinnikend overkomende roep. Tijdens de balts wordt dat soms in een duet ten gehore gebracht.
Deze schuwe vogel gaat net als de andere Futen niet gauw op de wieken, maar verschuilt zich liever in de begroeiing of duikt onder water, want duiken en zwemmen kan de Dodaars als de beste.
Samen bouwen de ouders een drijvend nest van waterplanten en bebroeden de 4-6 eieren. Als ze worden opgeschrikt dekken ze de eieren toe met wat nestmateriaal en gaan op de vlucht. Beide verzorgen ze de jongen die bij onraad op de rug van de ouders klimmen.
Een Dodaars voedt zich met visjes, kreeftachtigen, larven van libellen, waterkevers en dergelijke.
Voorkomen
De verspreiding in de lage delen van het land kromp in het laatste kwart van de twintigste eeuw door het verdwijnen uit zwaar bemaalde, intensief geschoonde of vervuilde sloten in polderland. De vestiging in nieuwe natte natuur en een toename in natuurgebieden op de zandgronden, door maatregelen om de waterstand hoog te houden, compenseert dit verlies ten dele (bron: zie vogel.asp r398).
Vogelkenmerken
Kleine duikvogel van rietplassen, jaagt onder water op insecten.
Ecologische vogelgroepen: Watervogels (Dodaars-groep). Rode Lijst: geen. Oranje Lijst: geen. Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn
Functionele habitat en foerageerwijze: Voedsel zoeken door onder water te duiken. Gebruik van kleine duinmeren, duinplassen of infiltratieplassen. Foerageren op slikranden, modderige ondieptes of opdrogende moerasplekken. Gebruik van rietvegetatie voor foerageren, zang of dekking. Gebruik van rietranden, lisdoddekragen of dichte oevervegetatie. Voedsel zoeken aan of net onder het wateroppervlak. Gebruik van open water, plassen of watergangen.
Voedsel van volwassen vogels: Waterinsecten en aquatische insectenlarven. Benthische, slik- en bodemfauna als voedselbron. Kreeftachtigen en andere kleine schaaldieren. kleine insecten, wormen, slakken, kreeftachtigen,kleine blad/luchtinsecten en andere kleine ongewervelden Vis als voedsel voor volwassen vogels. Schelpdieren zoals mosselen en kokkels.
Voedsel voor jongen: Benthische, slik-, bodem- of waterfauna als voedsel voor jongen. Kleine insecten en kleine ongewervelden als voedsel voor jongen.
Nestplaats en nestbouw: Drijvend nest of nest op watervegetatie. Nest diep verborgen in rietvegetatie. Open zichtbaar drijfnest zonder dichte oevervegetatie. Nest in rietvegetatie. Drijfnest in of tussen rietvegetatie.
Gedrag, ecologie en levenswijze: Hinnikende balts- of territoriumroep. Relatief late broedstart of laat broedseizoen. Meerdere broedsels per jaar. Zeer verborgen gedrag. Sterke respons op wisselende waterstanden. Sterke gevoeligheid voor strenge winters.
Migratie: Trekkend gedrag algemeen. Korte- tot middellange-afstandstrekker Wintergast; vooral aanwezig buiten het broedseizoen.