Dichtheid per km2
Territoria per km²
Dichtheid
Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.
Beschrijving
Jagers komen in vier maten: de Grote, Middelste, Kleine en Kleinste jager. De Grote is tot 58 cm lang, de Kleinste tot 41, de andere twee zitten daar 'gelijkmatig' tussen. De Grote Jager is van het formaat Zilvermeeuw, gedrongen van postuur en overwegend bruin. Tijdens de vlucht is op de vleugels een witte vlek te zien, gevormd door de basis van de handpennen. Hij heeft een stevige, zware snavel met een scherpe haak.
Grote Jagers doen hun naam eer aan. Andere vogels worden net zo lang achterna gezeten tot die hun prooi loslaten of zelfs opbraken (kleptoparasitisme ). Ze vangen soms zelf vissen (spiering) of eten visafval van trawlers. Ze doden ook kleinere zeevogels óf roven nesten leeg.
Grote Jagers broeden op rotsige eilandjes langs de kusten van van Noordelijk Europa, inclusief van Schotland en IJsland. Ze breden in losse kolonies, maar zijn wel zeer territoriaal. Het nest is een kuil in de grond, meestal bekleed met wat dood gras, er is in de regel één legsel.
Buiten de broedtijd zijn het uitgesproken zeevogels en verblijven met name op de Atlantische Oceaan en ook de Noordelijke IJszee. 's Winters wijken ze verder naar het zuiden uit en houden zich dan op west van het Iberisch Schiereiland.
Tijdens de trek in het najaar kan de Grote Jager, vooral bij noordwester- en westerstormen, ook langs de Nederlandse kust worden waargenomen. Tussen half september en half november kunnen er op goede trekdagen enkele tientallen per dag passeren. Het voorkomen in de rest van het jaar is marginaal, in het diepe binnenland is de soort een grote zeldzaamheid. De waargenomen aantallen langs de kust zijn sinds 1970 toegenomen, waarschijnlijk door de toename van de broedpopulatie in het Noordoost-Atlantische gebied (bron: Sovon ).
Grote Jagers doen hun naam eer aan. Andere vogels worden net zo lang achterna gezeten tot die hun prooi loslaten of zelfs opbraken (kleptoparasitisme ). Ze vangen soms zelf vissen (spiering) of eten visafval van trawlers. Ze doden ook kleinere zeevogels óf roven nesten leeg.
Grote Jagers broeden op rotsige eilandjes langs de kusten van van Noordelijk Europa, inclusief van Schotland en IJsland. Ze breden in losse kolonies, maar zijn wel zeer territoriaal. Het nest is een kuil in de grond, meestal bekleed met wat dood gras, er is in de regel één legsel.
Buiten de broedtijd zijn het uitgesproken zeevogels en verblijven met name op de Atlantische Oceaan en ook de Noordelijke IJszee. 's Winters wijken ze verder naar het zuiden uit en houden zich dan op west van het Iberisch Schiereiland.
Tijdens de trek in het najaar kan de Grote Jager, vooral bij noordwester- en westerstormen, ook langs de Nederlandse kust worden waargenomen. Tussen half september en half november kunnen er op goede trekdagen enkele tientallen per dag passeren. Het voorkomen in de rest van het jaar is marginaal, in het diepe binnenland is de soort een grote zeldzaamheid. De waargenomen aantallen langs de kust zijn sinds 1970 toegenomen, waarschijnlijk door de toename van de broedpopulatie in het Noordoost-Atlantische gebied (bron: Sovon ).