Terug naar soorten

Kleine Jager

Stercorarius parasiticus Jagers

Rode lijst |KW
0jaren
0territoria
0hoogste jaar

Nog geen gecontroleerde Meijendel-reeks beschikbaar.

Dichtheid per km2

Territoria per km²
Dichtheid

Dichtheid = territoria per jaar gedeeld door het Meijendel-oppervlak in dat jaar, volgens dezelfde berekening als de dashboardkeuze “Dichtheid per km2”.

Beschrijving

Jagers komen in vier maten: de Grote, Middelste, Kleine en Kleinste jager. De Grote is tot 58 cm lang, de Kleinste tot 41, de andere twee zitten daar 'gelijkmatig' tussen.

De Kleine Jager is zo groot als een forse Kokmeeuw, max 44 cm. De rug is donker, de onderzijde vaalwit tot bruin. Er is ook een lichtere variant met een bijna witte onderzijde en kop. Een Kleine Jager oogt als een donkere meeuw met smalle, spitse vleugels en zijn vlucht is bijna als die van een valk. Ze zijn het makkelijkst te herkennen aan de twee verlengde middelste staartpennen die in een punt uit de staart steken.

Kleine Jagers doen hun naam eer aan. Andere vogels worden net zo lang achterna gezeten tot die hun prooi loslaten of zelfs opbraken (kleptoparasitisme ). Ze vangen ook zelf vissen of kleine zeevogels óf roven (spansgewijs!) nesten leeg. In de broedgebieden staan verder kleine zoogdieren op het menu zoals lemmingen en woelmuizen alsmede insecten en bessen.

De Kleine Jager broedt op de toendra, op venige kustvlakten en op kale eilandjes. Deze jager is verreweg de algemeenste jager en is vooral in de herfst (piek augustus-oktober) in Nederland te zien. Dan zijn ze onderweg naar de overwinteringsgebieden, de kusten zuid van de evenaar. Ze trekken vooral overdag, over zee, met concentraties langs de kust. Soms trekken ze bij storm over land, maar nooit ver van de kust. De voorjaarstrek is in april en mei, die wordt in Nederland echter nauwelijks opgemerkt behalve in Noord-Holland waar ze dan vrijwel jaarlijks worden gezien.